Hof van Justitie - C-181/23 - 29-04-2025

Samenvatting

In arrest nr. C-181/23 deed het Hof uitspraak over de vraag of de wet betreffende het Maltese staatsburgerschap een vermarkting van de toekenning van de nationaliteit van een lidstaat en, bij uitbreiding, van de hoedanigheid van Unieburger inhoudt. Conform artikel 10, lid 9 van de Maltese burgerschapsregeling kon de Maltese nationaliteit worden toegekend wegens ‘uitzonderlijke diensten door directe investeringen.’ De voorwaarden omvatten onder meer bijdragen aan de overheid en donaties aan erkende ngo’s, de aankoop of huur van vastgoed en een slechts beperkt wettelijk verblijf in Malta. Volgens de Commissie is deze regeling in strijd met de verplichtingen van Malta uit hoofde van artikel 20 VWEU en artikel 4, lid 3, VEU. Malta weigerde echter de burgerschapsregeling aan te passen, waarop de Commissie een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU instelde.
Volgens artikel 9 VEU en artikel 20, lid 1 VWEU is eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit een burger van de Unie. Volgens vaste rechtspraak van het Hof behoort de toekenning en het verlies van de nationaliteit van een lidstaat tot de bevoegdheid van elke lidstaat, maar moet die worden uitgeoefend met eerbiediging van het Unierecht. Het Hof verwijst daarvoor naar artikel 3, lid 2 VEU, die de verwezenlijking en in stand houding van een gemeenschappelijke ruimte zonder binnengrenzen voorziet, waarin het vrije verkeer van personen wordt gewaarborgd. Die gemeenschappelijke ruimte wordt onder meer verwezenlijkt door het recht op vrij verkeer van personen, werknemers en diensten, de politieke rechten van Unieburgers en de diplomatieke en consulaire bescherming van onderdanen van lidstaten. Het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en het beginsel van wederzijdse erkenning zijn daarbij essentieel. Uit deze doelstelling en bijhorende beginselen volgt dat de uitoefening door de lidstaten van hun bevoegdheid om de voorwaarden voor de toekenning van hun nationaliteit vast te stellen, gevolgen heeft voor de werking van de Unie als gemeenschappelijke rechtsorde. Lidstaten moeten daarom het Unierecht eerbiedigen en zich krachtens het in artikel 4, lid 3 VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen.
Het Hof gaat verder door te verwijzen naar zijn vaste rechtspraak dat de nationaliteitsverhouding van een lidstaat gebaseerd is op de bijzondere band van solidariteit en loyaliteit tussen die staat en zijn onderdanen, alsook op de wederkerigheid van rechten en plichten. Volgens artikel 20, lid 1 VWEU vormt die band eveneens de grondslag van de rechten en plichten die de burgers van de Unie op grond van de Verdragen hebben.
Het Hof oordeelt dat een lidstaat kennelijk voorbij gaat aan die vereiste van de bijzondere band wanneer die een naturalisatieprogramma opzet en toepast dat is gebaseerd op een transactionele procedure tussen die lidstaat en de personen die een nationaliteitsaanvraag indienen. De nationaliteit van de lidstaat, en bijgevolg de hoedanigheid van Unieburger, wordt dan in essentie toegekend in ruil voor vooraf bepaalde betalingen en investeringen. Dit houdt namelijk een vermarkting van de toekenning van de status van onderdaan van een lidstaat in, en bij uitbreiding van het Unieburgerschap. Zulke praktijk doet afbreuk aan het wederzijds vertrouwen van de lidstaten, die de toekenning van de nationaliteit door een andere lidstaat moeten erkennen.
Volgens het Hof voorziet de Maltese burgerschapsregeling in zulke transactionele procedure. Ten eerste vormen de betalingen van vooraf bepaalde minimumbedragen een beslissende plaats in de regeling. Bovendien vereist de regeling ook geen daadwerkelijk verblijf in of een duurzame verbondenheid met Malta. Tot slot presenteerden verschillende websites van erkende bureaus de burgerschapsregeling als een programma dat voornamelijk de voordelen van het Unieburgerschap biedt, met name het recht om vrij in andere lidstaten te reizen en te verblijven. Het Hof achtte daarom dat Malta met deze burgerschapsregeling de artikelen 20 VWEU en 4, lid 3 VEU schond.

Meer info