HvJ: vermarkting Unieburgerschap via investeerdersregeling schendt unierecht

In het kort

In arrest C-181/23 oordeelt het Hof van Justitie van de EU dat Malta een inbreuk heeft gemaakt op artikel 20 Werkingsverdrag van de Europese Unie en artikel 4, lid 3 Verdrag van de Europese Unie door een naturalisatieregeling in stand te houden waarbij de Maltese nationaliteit wordt toegekend in ruil voor investeringen, zonder vereiste van een werkelijke band met de staat. Volgens het Hof vormt deze ‘vermarkting’ van de nationaliteit een aantasting van de essentie van het Unieburgerschap en van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten.

Naturalisatie in Malta: uitzonderlijke diensten door directe investeringen

De wet betreffende het Maltese staatsburgerschap voorziet sinds 2020 dat buitenlandse investeerders naturalisatie kunnen aanvragen wegens ‘uitzonderlijke diensten door directe investeringen.’ De voorwaarden voor naturalisatie onder de burgerschapsregeling omvatten:

  • een bijdrage van 600.000 of 750.000 euro aan de overheid (afhankelijk van de verblijfsduur);
  • aankoop of huur van vastgoed (minimumwaarde van 700.000 euro of jaarlijkse huur van minstens 16.000 euro gedurende vijf jaar);
  • een donatie van minstens 10.000 euro aan een erkende ngo;
  • een verblijfsperiode van 36 maanden voorafgaand aan het verzoek, die evenwel wordt teruggebracht naar 12 maanden bij betaling van een hogere bijdrage; en
  • een positieve geschiktheidsbeoordeling.

Volgens de Europese Commissie wordt hierbij de Maltese nationaliteit ‘verkocht’ en maakt deze regeling misbruik van het Unieburgerschap, wat in strijd is met het beginsel van loyale samenwerking tussen de Unie en de lidstaten. Malta schortte in maart 2022 de regeling wel op ten aanzien van Russische en Wit-Russische onderdanen, maar weigerde de regeling te wijzigen voor burgers van derde landen omdat het de positie van de Commissie in strijd achtte met het beginsel van bevoegdheidstoedeling. 

HVJ: Toekenning en verlies nationaliteit is geen absolute bevoegdheid van lidstaat

De toekenning en het verlies van de nationaliteit van een lidstaat behoren tot de bevoegdheid van elke lidstaat. Die bevoegdheid is echter niet absoluut, omdat op grond van artikel 20 VWEU de toekenning van de nationaliteit door een lidstaat gepaard gaat met de toekenning van de hoedanigheid als unieburger. Daarnaast zijn lidstaten ook gebonden door het beginsel van loyale samenwerking, dat voortvloeit uit artikel 4, lid 3 VEU.

Volgens de vaste rechtspraak van het Hof is de nationaliteitsverhouding van een lidstaat gebaseerd op de bijzondere band van solidariteit en loyaliteit tussen die staat en zijn onderdanen, alsook op de wederkerigheid van rechten en plichten. Conform artikel 20, lid 1 VWEU vormt deze bijzondere band tussen lidstaat en onderdaan ook de grondslag van de rechten en plichten die Unieburgers hebben. Volgens het Hof gaat een lidstaat echter kennelijk voorbij aan de vereiste van deze bijzondere band wanneer het een naturalisatieprogramma opzet en toepast dat is gebaseerd op een transactionele procedure, waarbij aan het einde de nationaliteit – en daarmee het Unieburgerschap – wordt toegekend in ruil voor vooraf bepaalde betalingen of investeringen. Bovendien doet zulke regeling ook afbreuk aan het wederzijds vertrouwen van lidstaten, die de toekenning van de nationaliteit door een andere lidstaat moeten erkennen.

Transactionele karakter burgerschapsregeling schendt het Unierecht

Volgens het Hof voorziet de Maltese burgerschapsregeling in een transactionele procedure waarbij de naturalisatie wordt toegekend in ruil voor vooraf bepaalde betalingen of investeringen. Dit kan worden beschouwd als een vermarkting van de toekenning van de nationaliteit van een lidstaat en, bij uitbreiding, van de hoedanigheid van Unieburger, wat een schending van artikel 20 VWEU en artikel 4, lid 3 VEU inhoudt. Het kwam tot deze conclusie om volgende redenen:

  • De eerste drie voorwaarden van de regeling vereisen dat louter betalingen aan de overheid en investeringen in Malta moeten worden gemaakt;
  • De regeling vereist geen daadwerkelijk verblijf. Daar komt bovenop dat de duur van daadwerkelijk verblijf substantieel wordt verminderd wanneer men een hogere betaling maakt;
  • Er wordt geen duurzame verbondenheid met het land vereist;
  • Verschillende websites van erkende bureaus presenteren de burgerschapsregeling als een programma dat voornamelijk de voordelen van het Unieburgerschap biedt, met name het recht om vrij in andere lidstaten te reizen en te verblijven.

Gevolgen voor België?

Het arrest introduceert een belangrijk principe dat lidstaten de nationaliteit niet mogen toekennen via louter transactionele procedures zonder werkelijke band met de lidstaat, omdat dit het Unieburgerschap ondermijnt. Malta moet dus de burgerschapsregeling hervormen. In België bestaat geen gelijkaardige regeling, waardoor de Belgische nationaliteitswetgeving niet moet aangepast worden. Het Hof specifieerde echter niet wat het arrest betekent voor personen die in het verleden op dergelijke wijze de Maltese nationaliteit verkregen. De vraag rijst of zij de reeds verkregen Maltese nationaliteit kunnen houden.