Samenvatting
De zaak Bundesrepublik Deutschland betreft een prejudiciële vraag over de uitlegging van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (hierna: “verordening nr. 604/2013”), richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: “richtlijn 2013/32”), en van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: “richtlijn 2011/95”). QY, een Syrisch onderdaan die de vluchtelingenstatus werd toegekend in Griekenland, diende een tweede verzoek om internationale bescherming in bij de Duitse autoriteiten. Deze besloten dat QY niet kon teruggestuurd worden naar Griekenland, omdat hij daar een ernstig risico liep op onmenselijke of vernederende behandeling. Tegelijk weigerden de Duitse autoriteiten hem de vluchtelingenstatus toe te kennen aangezien hij volgens hen niet het risico liep om vervolgd te worden in Syrië. QY ging in beroep en argumenteerde dat de Duitse autoriteiten gebonden waren aan de Griekse beslissing om hem de vluchtelingenstatus toe te kennen. De verwijzende rechter vroeg aan het Hof of de Duitse autoriteiten het nieuwe verzoek zelfstandig opnieuw ten gronde kon behandelen.
Het Hof stelt vast dat richtlijn 2011/95 verzekert dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk bescherming behoeven, dat richtlijn 2013/32 de vereisten vastlegt voor de behandeling van verzoeken om een dergelijke bescherming, en dat verordening nr. 604/2013 criteria en instrumenten vaststelt om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Enerzijds erkent het Hof dat geen van deze bronnen verplichten de lidstaten uitdrukkelijk om de toekenning van de vluchtelingenstatus door een andere lidstaat automatisch te erkennen.
Anderzijds verduidelijkt het Hof dat ieder verzoek om internationale bescherming op individuele basis beoordeeld moet worden, en dat rekening moet gehouden worden met alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen. Dit vereist dat het verzoek individueel, objectief en onpartijdig moet worden onderzocht aan de hand van nauwkeurige en actuele informatie. Bij gevolg zijn nationale autoriteiten weliswaar niet verplicht om de vluchtelingenstatus van een verzoeker te erkennen op de enkele grond dat die status eerder bij beslissing van een andere lidstaat werd verleend, maar moeten deze niettemin ten volle rekening houden met die beslissing en met de elementen die deze beslissing ondersteunen. Om aan deze voorwaarde te voldoen dienen de nationale autoriteiten zo spoedig mogelijk informatie uit te wisselen met de bevoegde autoriteit van de lidstaat die eerder aan dezelfde verzoeker de vluchtelingenstatus had toegekend, en ze moeten deze verzoeken om binnen een redelijke termijn de informatie mee te delen waarover zij beschikt en die tot de toekenning van deze status heeft geleid. Het doel van deze informatie-uitwisseling is de autoriteit van de lidstaat waarbij het nieuwe verzoek is ingediend, in staat te stellen de verificaties die in het kader van de internationale beschermingsprocedure van haar worden verlangd, met volledige kennis van zaken uit te voeren