Samenvatting
Op 1 augustus 2025 beantwoordde het Hof van Justitie verschillende prejudiciële vragen over de nationale aanmerking van derde landen als veilig land van herkomst, voorzien in artikel 37 van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: Procedurerichtlijn), gelezen in het licht van artikel 47 van het Europees Handvest van de Grondrechten (hierna: het Handvest). De prejudiciële vragen werden gesteld in het kader van twee beroepen tegen besluiten waarbij de verzoeken om internationale bescherming van Bengaalse onderdanen werden afgewezen, omdat zij afkomstig zijn uit een veilig land van herkomst. Zij dienden beroep in tegen die beslissing bij de Tribunale ordinario di Roma, die twijfels heeft bij de aanduiding van Bangladesh als een veilig land van herkomst en de verenigbaarheid met de Procedurerichtlijn.
Artikel 37 van de Procedurerichtlijn voorziet onder welke voorwaarden lidstaten een derde land als ‘veilig land van herkomst’ mogen aanwijzen. In 2024 werd de Italiaanse wetgeving hierover hervormd. Sindsdien wordt de aanwijzing van landen als veilig land van herkomst rechtstreeks gedaan in de wetgeving, zonder eerst algemene wettelijke criteria vast te leggen. Dit bracht enkele significante gevolgen met zich mee, waardoor de verwijzende rechter zich vragen stelt bij de aanwijzing van Bangladesh als veilig land van herkomst in het geval van verzoekers.
Eerst rijst de vraag of de Procedurerichtlijn het toelaat dat veilige landen van herkomst worden aangewezen door middel van wetgeving. Volgens het Hof kunnen lidstaten richtlijnen omzetten door middel van wetgeving, zolang dit gebeurt met onmiskenbare bindende kracht en met de vereiste specificiteit, precisie en duidelijkheid. Die wetgeving kan echter geen afbreuk doen aan de verplichting van elke nationale rechter om de bepalingen de Procedurerichtlijn volledige werking te verlenen, door zo nodig ambtshalve elke nationale bepaling buiten toepassing te laten die strijdig is met een rechtstreeks werkende bepaling van die richtlijn, zonder dat hij eerst de nietigverklaring of intrekking van die bepaling hoeft af te wachten. De aanwijzingen moeten daarom aan rechterlijke toetsing kunnen worden onderworpen met betrekking tot de materiële voorwaarden voorzien in de bijlage I van de Procedurerichtlijn.
Daarnaast leidde de wetswijziging ertoe dat bij de aanduiding van landen als veilig land van herkomst niet meer wordt verwezen naar de informatie waarop die beslissing gebaseerd is. De wetgeving verwijst nu algemeen naar ‘gegevens verkregen uit informatiebronnen die door de betrokken internationale organisaties zijn verstrekt,’ zonder die gegevens of bronnen te identificeren. Daaruit rijzen twee vragen, namelijk of de artikelen 36 en 37 en artikel 46, lid 3, van de Procedurerichtlijn, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat (i) een lidstaat die een derde land als veilig land van herkomst aanwijst, de informatiebronnen waarop die aanwijzing berust, toegankelijk moet maken, en (ii) de nationale rechter of het nationale gerecht dat uitspraak doet over een beroep tegen een beslissing betreffende een verzoek om internationale bescherming bij de toetsing of aan de materiële voorwaarden is voldaan, ook rekening mag houden met informatie die hij zelf heeft verzameld.
Het Hof oordeelt over de eerste vraag dat een lidstaat die een derde land als veilig land van herkomst aanwijst, ervoor moet zorgen dat er voldoende en passende toegang bestaat tot de informatiebronnen in de zin van artikel 37, lid 3, waarop die aanwijzing berust. Hoewel er geen bepaling is die dit expliciet voorschrijft, vereist artikel 36, lid 1 van de Procedurerichtlijn dat het vermoeden van veilig land van herkomst moet kunnen worden weerlegd door ernstige redenen aan te voeren die verband houden met zijn specifieke situatie. Dit vereist in de eerste plaats dat de verzoeker weet waarom zijn of haar land van herkomst als veilig wordt beschouwd. Bovendien vereist artikel 12, lid 1, d) van de Procedurerichtlijn dat verzoekers om internationale bescherming tijdens de behandelingsprocedure toegang hebben tot nauwkeurige en actuele informatie over hun land van herkomst.
Daarnaast oordeelt het Hof dat de rechter die zich buigt over een beroep tegen zulke beslissing, bij de toetsing of de aanwijzing voldoet aan de materiële voorwaarden van bijlage I, ook rekening mag houden met informatie die het zelf heeft verzameld. Artikel 46, lid 1 van de richtlijn waarborgt namelijk een recht op doeltreffende voorziening in rechte tegen de beslissingen die in hun verzoek werden genomen. Dit moet gelezen worden in het licht van artikel 47 van het Handvest, die vereist dat de rechter een doeltreffend, volledig en ex nunc onderzoek verrichten. De ex nunc beoordeling vereist volgens de vaste rechtspraak van het Hof dat het gerecht ook rekening mag houden met informatie die het zelf heeft verzameld, mits het zich vergewist van de betrouwbaarheid van die informatie én het beginsel van hoor en wederhoor wordt gerespecteerd.
Tot slot rijst de vraag of artikel 37 van de Procedurerichtlijn verbiedt dat een lidstaat een derde land aanwijst als veilig land van herkomst, wanneer dat land voor bepaalde categorieën personen niet voldoet aan de materiële voorwaarden voor een dergelijke aanwijzing. De bewoording van artikel 37, samen met de afwezigheid van een verwijzing naar een deel van de bevolking of een land, wijzen er volgens het Hof op dat de voorwaarden moeten vervuld zijn ten aanzien van de hele bevolking van dat land opdat het als veilig land van herkomst kan worden aangewezen. Toestaan dat een land als veilig wordt aanschouwd, terwijl dit slechts geldt voor een deel van de bevolking, zou ertoe leiden dat het toepassingsgebied van de procedure in artikel 37 wordt uitgebreid. Tot slot heeft deze procedure tot doel dat verzoeken om internationale bescherming zo spoedig mogelijk worden behandeld, zonder afbreuk te doen aan een behoorlijke en volledige behandeling. Om deze redenen verzet artikel 37 van de Procedurerichtlijn zich ertegen dat een lidstaat een derde land als veilig land van herkomst aanwijst wanneer dat land voor bepaalde categorieën personen niet voldoet aan de materiële voorwaarden voor een dergelijke aanwijzing zoals vermeld in bijlage I van de Procedurerichtlijn.