Samenvatting
In arrest C-790/23, heeft het Hof toegelicht hoe artikel 18, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Dublin III-verordening) moet worden uitgelegd in een situatie waarin een eerdere, door een lidstaat verleende tijdelijke verblijfsvergunning niet wordt verlengd. Centraal stond de vraag of een dergelijke niet-verlenging kan worden gelijkgesteld met een “afwijzing van een verzoek om internationale bescherming” die de verplichting tot terugname door die lidstaat doet ontstaan.
De zaak vond haar oorsprong in een prejudiciële verwijzing door een Finse rechter. De betrokkene, een Syrische onderdaan, had in Denemarken gedurende meerdere jaren rechtmatig verblijf genoten op basis van een nationale verblijfsvergunning van tijdelijke aard. Na het aflopen en niet-vernieuwen van deze vergunning diende zij in Finland een verzoek om internationale bescherming in. De Finse autoriteiten achtten Denemarken verantwoordelijk voor de behandeling van dat verzoek en baseerden zich daarbij op artikel 18, lid 1, onder d), van de Dublin III-verordening, stellende dat de niet-verlenging van de Deense verblijfsvergunning moest worden opgevat als een afwijzing van een eerder verzoek om internationale bescherming.
Het Hof heeft deze redenering verworpen. Het oordeelde dat het begrip “afwijzing van een verzoek om internationale bescherming” een autonoom Unierechtelijk begrip is dat strikt moet worden uitgelegd. Dit begrip ziet uitsluitend op een beslissing waarbij een lidstaat, na inhoudelijk onderzoek, een door de betrokkene ingediend verzoek om internationale bescherming formeel afwijst. Een nationale beslissing om een bestaande verblijfsvergunning niet te verlengen of niet te vernieuwen, zonder dat deze beslissing het resultaat is van een asiel- of beschermingsprocedure, kan niet worden aangemerkt als een dergelijke afwijzing.
Het Hof benadrukte dat de Dublin III-verordening tot doel heeft duidelijkheid te scheppen over de verantwoordelijkheid voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming, en dat dit doel zou worden ondergraven indien louter administratieve verblijfsrechtelijke beslissingen automatisch gevolgen zouden hebben binnen het Dublin-systeem. Een extensieve uitlegging van artikel 18, lid 1, onder d), zou ertoe kunnen leiden dat personen die nooit een inhoudelijke beoordeling van hun beschermingsbehoefte hebben gekregen, desalniettemin worden geconfronteerd met terugnameverplichtingen en verantwoordelijkheidsverschuivingen.
Bijgevolg bevestigt het Hof dat het enkele aflopen of niet-vernieuwen van een tijdelijke verblijfsvergunning niet volstaat om te concluderen dat sprake is van een afgewezen verzoek om internationale bescherming. Hieruit volgt dat een lidstaat in een dergelijke situatie geen beroep kan doen op artikel 18, lid 1, onder d), om een andere lidstaat tot terugname te verplichten. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van een nieuw verzoek om internationale bescherming dient in dat geval te worden vastgesteld aan de hand van de algemene criteria van de Dublin III-verordening.