Samenvatting
In de uitgebreide uiteenzetting van het eerste middelonderdeel voert verzoekster onder meer aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 48/7 van de vreemdelingenwet wel vermeldt, maar dat hij “niet verduidelijkt wat de goede redenen dan zouden zijn” om te besluiten dat de vervolging niet meer zal voorkomen in de toekomst. Volgens verzoekster stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen echter “dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat of onder welke omstandigheden zij bij een terugkeer naar Somalië zou worden herbesneden”, wat een “toetsing […] aan artikel 48/3” van de vreemdelingenwet inhoudt. Steeds volgens verzoekster is het “niet aan verzoekster om aannemelijk te maken dat zij zou worden herbesneden”, maar “aan de asielinstantie om aan te tonen dat er goede redenen voorhanden zijn [die doen besluiten] dat dit niet gaat gebeuren”.
Naar luid van artikel 48/7 van de vreemdelingenwet is het feit dat een asielzoeker in het verleden reeds werd vervolgd, of reeds ernstige schade heeft ondergaan, of reeds rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of met dergelijke schade, een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
Deze bepaling houdt een omkering van de bewijslast in, waardoor de asielinstantie, te dezen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, bij reeds ondergane vervolging of ernstige schade of bij ondergane bedreiging daarmee het tegenbewijs dient te leveren van “goede redenen” om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
Verzoekster heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de schending aangevoerd van onder meer artikel 48/7 van de vreemdelingenwet. Zij heeft daarbij gesteld dat zij het slachtoffer is geweest van VGV van het type III, dat vrouwelijke genitale verminking “foltering [uitmaakt] onder artikel 1 van het Anti-Folterverdrag” en dat de Franstalige kamers bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen genitale verminking type III erkennen als “een extreme vorm van genitale verminking en een bijzonder ernstige vorm van vervolging die uiterst schadelijke en herhaalde gevolgen kan hebben in het leven van een vrouw”. Verzoekster concludeerde dat zij dus “reeds eerder het slachtoffer van vervolging” werd, zodat een “omkering van de bewijslast” geldt.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in het bestreden arrest in op de “gegronde vrees voor vervolging [die verzoekster] koestert wegens haar reeds ondergane vrouwelijke genitale verminking” en is “van mening dat verzoeksters VGV type 3 inderdaad niet betwijfeld wordt”. Hij betwist niet dat het om een vorm van foltering gaat, noch dat de Franstalige kamers het desbetreffende type verminking erkennen als een “extreme vorm van genitale verminking”.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve aanvaard dat verzoekster het slachtoffer is geweest van een daad van vervolging of dat zij ernstige schade heeft geleden in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet. Hieruit volgt dat de in artikel 48/7 van die wet vervatte omkering van de bewijslast van toepassing is. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanvaardt overigens uitdrukkelijk de toepassing van deze laatste bepaling waar hij in het bestreden arrest overweegt dat er “in casu goede redenen voorhanden zijn in de zin van artikel 48/7 van de Vreemdelingenwet om aan te nemen dat verzoekster bij een terugkeer naar haar land van herkomst niet opnieuw het slachtoffer zou worden van VGV”. Net omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de toepassing van het voornoemde artikel 48/7 aanvaardt, kan de verwerende partij zich niet dienstig beroepen op het bepaalde in artikel 48/6, § 1, van de vreemdelingenwet. Met de verwijzing naar artikel 48/7 van de vreemdelingenwet aanvaardt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers dat er een duidelijke aanwijzing voor een gegronde vrees bestaat en dient hij het tegendeel van dit weerlegbaar vermoeden aan te tonen. Dat verzoekster haar vrees voor vervolging niet in een eerder stadium had gekoppeld aan het risico op herinfibulatie, doet er niets aan af dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de VGV, en dus het bestaan van de eerdere vervolging, heeft erkend, zodat het weerlegbaar vermoeden van artikel 48/7 van de vreemdelingenwet van toepassing is.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest:
“Waar verzoekster stelt dat zij het risico loopt gedesinfibuleerd en herbesneden te worden in het kader van een huwelijk of geboorte en dat haar kans op herbesnijdenis verhoogd is wegens het feit dat zij terugkeert uit een Westers land, treedt de Raad de commissaris-generaal bij dat verzoekster, die voorhoudt in 2015 en 2017 ook te zijn bevallen en pas in september 2020 haar land van herkomst zou hebben verlaten, in verwachting van haar dochter I., noch bij aanvang van de procedure, noch gedurende het persoonlijk onderhoud enige vrees om te worden herbesneden heeft geponeerd. De Raad is bijgevolg van mening dat het bovenstaande verweer van verzoekster een post-factum verklaring betreft, die na reflectie tot stand gekomen is na kennisname van de bestreden beslissing en die derhalve niet wordt aangenomen. Bijgevolg is de Raad van oordeel dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat zij bij een terugkeer naar Somalië een gegronde vrees voor vervolging heeft omwille van haar VGV of de gevolgen daarvan. Een verwijzing naar rechtspraak van de Raad is bij gebrek aan precedentenwerking niet dienstig, gezien elke zaak op zijn individuele merites wordt beoordeeld. Verzoekster maakt bovendien op generlei wijze aannemelijk dat of onder welke omstandigheden zij bij een terugkeer naar haar land van herkomst zou worden herbesneden. Derhalve zijn er in casu goede redenen voorhanden in de zin van artikel 48/7 van de Vreemdelingenwet om aan te nemen dat verzoekster bij een terugkeer naar haar land van herkomst niet opnieuw het slachtoffer zou worden van VGV.”
Met de overweging dat verzoekster “niet aannemelijk maakt dat zij bij een terugkeer naar Somalië een gegronde vrees voor vervolging heeft omwille van haar VGV”, gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorbij aan de toepassing van artikel 48/7 van de vreemdelingenwet met het weerlegbaar vermoeden van de gegronde vrees voor vervolging. Hij besluit integendeel dat de vrees voor vervolging niet aannemelijk wordt gemaakt, wat een beoordeling veronderstelt in het kader van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet. Uit de enkele vaststelling dat verzoekster, niettegenstaande zij na in 2015 en 2017 te zijn bevallen pas in 2020 haar land van herkomst heeft verlaten, “noch bij aanvang van de procedure, noch gedurende het persoonlijk onderhoud enige vrees om te worden herbesneden heeft geponeerd”, blijkt niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft onderzocht of er “goede redenen” zijn om aan te nemen dat de vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
Met de beoordeling dat “het verweer van verzoekster” betreffende het risico om gedesinfibuleerd en herbesneden te worden in het kader van een huwelijk of geboorte en betreffende haar verhoogde kans op herinfibulatie wegens het feit dat zij terugkeert uit een Westers land, “niet wordt aangenomen” en de beoordeling dat verzoekster “op generlei wijze aannemelijk maakt dat of onder welke omstandigheden zij bij een terugkeer naar haar land van herkomst zou worden herbesneden”, om daaruit “derhalve” te concluderen dat er “in casu goede redenen voorhanden zijn in de zin van artikel 48/7 van de Vreemdelingenwet om aan te nemen dat verzoekster bij een terugkeer naar haar land van herkomst niet opnieuw het slachtoffer zou worden van VGV”, legt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bewijslast inzake het feit of de vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen, ten onrechte bij verzoekster.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen miskent op die wijze artikel 48/7 van de vreemdelingenwet en de uit de toepassing van die bepaling voortvloeiende omkering van de bewijslast.