Samenvatting
Wat betreft de voorwaarde van veiligheid is hieraan voldaan wanneer de verzoeker in het voorgestelde hervestigingsgebied geen (nieuw) risico loopt op vervolging of ernstige schade. Betrouwbare en actuele informatie over de veiligheidssituatie in het voorgestelde gebied van hervestiging zijn essentieel in het beoordelen van de redelijkheid van het voorgestelde gebied waar de verzoeker binnenlandse bescherming kan genieten. Conform artikel 8 van de Kwalificatierichtlijn moeten de asielinstanties ook bij de beoordeling van binnenlandse bescherming ervoor zorgen dat zij beschikken over nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen, waaronder het UNHCR en EUAA.
In de bestreden beslissing wordt gesteld dat uit objectieve informatie blijkt dat verzoeker zich kan hervestigen in Kinshasa. Met betrekking tot de beoordeling van de veiligheidssituatie in het door de commissaris-generaal geïdentificeerde gebied van binnenlandse bescherming, Kinshasa wordt in de bestreden beslissing vooreerst gesteld dat niets toelaat te veronderstellen dat de huidige situatie in Kinshasa kan worden geanalyseerd als een situatie van willekeurig geweld in het kader van een binnenlands gewapend conflict. Verzoeker betwist dit niet en het rechtsplegingsdossier bevat geen elementen die op het tegendeel wijzen. Daargelaten dat artikel 48/4 §2 c) verwijst naar een “internationaal of binnenlands gewapend conflict”, stelt de Raad vast dat in Kinshasa geen sprake is van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Dit volstaat uiteraard niet om te besluiten dat verzoeker in Kinshasa geen (nieuw) risico loopt op vervolging of ernstige schade.
Ook moet immers nagegaan worden of verzoekers specifieke profiel als persoon behorende tot de Hutu-etnie afkomstig uit Goma als dusdanig aanleiding zou kunnen geven tot een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade indien hij zich zou hervestigen in Kinshasa. Hierover wordt in de bestreden beslissing als volgt gemotiveerd “De commissaris-generaal is van mening dat u geen vrees voor vervolging koestert of geen reëel risico op ernstige schade loopt in Kinshasa. U verklaarde zelf nog dat mensen in Democratische Republiek Congo mensen die afkomstig zijn uit het oosten zien als verraders, alsof jullie mensen zijn die tot Rwanda behoren (notities persoonlijk onderhoud CGVS dd. 23/08/2023 p. 18). U maakte hieromtrent echter geen vrees concreet, u kwam niet verder dan verklaren dat niemand van het oosten een hoge positie bekleedt en dat ze je kunnen herkennen omdat je Swahili spreekt. U toont niet aan dat u door uw herkomst uit het oosten, als Hutu-zijnde, een risico op het lijden van ernstige schade loopt, noch beschikt het CGVS over landeninformatie die hierop zou wijzen. Het CGVS beschikt daarentegen wel over informatie dat er een toenemende vijandigheid is in Congo ten aanzien van mensen van de Tutsi etnie, hetgeen niet op u van toepassing is”.
De commissaris-generaal voegde met betrekking tot de situatie in Kinshasa de “COI Focus. République Démocratique du Congo. Situation des personnes d’origine banyamulenge, tutsi, rwandaise à Kinshasa” van 13 maart 2023 toe aan het administratief dossier. De andere objectieve bronnen met betrekking tot de situatie in de Democratische Republiek Congo die aan het administratief dossier zijn toegevoegd hebben betrekking op de veiligheidssituatie in Goma en de behandeling van terugkeerders door de Congolese autoriteiten, en de toegang tot gezondheidszorg in de DRC en Kinshasa maar niet op de veiligheidssituatie of behandeling van etnische groepen in Kinshasa. De bestreden beslissing specificeert niet op welk rapport de commissaris-generaal zich baseert wat de situatie in Kinshasa betreft, maar bij gebrek aan andere bronnen in het administratief dossier over Kinshasa kan aangenomen worden dat zij zich daarbij baseert op de voormelde COI Focus.
Deze COI Focus heeft enkel betrekking op de situatie van personen van Banyamulenge, Tutsi of Rwandese oorsprong en maakt melding, wat de situatie in Kinshasa betreft, van een zekere vijandigheid tegen deze groepen en van het feit dat de Congolese overheden regelmatig het xenofoob discours dat aanzet tot discriminatie en geweld tegen de ‘rwandaphone’ gemeenschap alsook de Banyamulenge, Tutsi of andere gemeenschappen, veroordelen. Een aantal bronnen betreuren de straffeloosheid voor de auteurs van dergelijke daden (COI Focus, p. 7-8).
Verzoeker is van Hutu origine. In haar verweernota benadrukt de commissaris-generaal het nut en de pertinentie van dit rapport maar lijkt daarbij enkel als argument aan te voeren dat “net zoals dit rapport van de EUAA waarnaar wordt verwezen in het verzoekschrift behandelt dit rapport de situatie van de Banyamulenge in Kinshasa” (verweernota, punt 2.3.). In het door verzoeker bijgebrachte rapport van EUAA, “COI Query Response, Democratic Republic of Congo. Treatment of the Banyamulenge by society and the state in North Kivu and Kinshasa; state protection available”, July 2020 to 30 August 2023, van 31 augustus 2023 wordt uiteengezet dat de Banyamulenge Congolese Tutsi zijn die in de Kivu provincies langs de Rwandese grens wonen en Kinyarwanda spreken en dat zij pejoratief worden benoemd als “Rwandophones” en vaak geviseerd in sektarisch geweld wanneer de spanningen met Rwanda oplopen. Uit het rechtsplegingsdossier kan niet blijken dat verzoeker zich ooit heeft geprofileerd als Banyamulenge, Tutsi of Rwandees maar steeds als Hutu afkomstig uit Goma zodat de relevantie van informatie over de behandeling van personen van Banyamulenge, Tusti en Rwandese origine, waartoe de COI Focus van 13 maart 2023 beperkt is, niet kan blijken. Het onderwerp van het door verzoeker bijgebrachte EUAA rapport is eveneens beperkt tot de Banyamulenge maar bevat wel een sectie “Treatment in Kinshasa” waarin wordt gesteld dat in een rapport van de Danish Immigration Service (DIS) een internationale humanitaire organisatie wordt geciteerd die stelt dat "anyone perceived associated with Rwanda would face harsh discrimination in all parts of society in Kinshasa as ethnic or religious background in the city can play potential risk factors".
Het eveneens door verzoeker bijgebrachte rapport van Asylos, «République Démocratique du Congo (RDC) : Situation des Banyamulenge (Tutsi ou Banyarwanda)” van oktober 2023 stelt dat “les Banyarwanda, dans la province du Sud Kivu nommés Banyamulenge, sont composés de Hutus, de Tutsis et de Batwa qui vivent dans la province du Kivu en RDC, mais leurs origines contestées créent des tensions liées à la citoyenneté et à la terre avec les ethnies «autochtones» de la région. Les Banyarwanda se sont installés en RDC ou précédemment dans le Congo belge dans des époques différentes ; les Banyamulenge sont arrivés dans le Sud Kivu dans le dix-huitième et dix-neuvième siècles.”
Het rapport van Danish Immigration Service, “Democratic Republic of the Congo. The socio-economic conditiions in Kinshasa” waarnaar verwezen wordt in de EUAA COI Query stelt dat “The international humanitarian organisation in the DRC stated anyone perceived associated with Rwanda would face harsh discrimination in all parts of society. Moreover, the source stressed that this discrimination against Rwandaphone people happens all across the DRC. Professor Bazonzi explained the Rwandaphone community in the DRC is perceived as foreign that has difficulties integrating into Congolese society. As such, any person belonging to the Banya ethnic groups (Banyamulenge, Banyarwanda) as well as Hutus and Tutsis are at risk of being discriminated against and harassed, according to the International humanitarian organisation in the DRC” (DIS, p. 13).
Waar de commissaris-generaal in haar verweernota stelt “dat de nadruk in deze rapporten ligt op de problemen voor personen die Kinyarwanda spreken, rwandophones zijn” (eigen cursivering en onderstreping) en dat het DIS rapport ook stelt dat “this discrimination against Rwandaphone people happens all across the DRC” kan geen abstractie gemaakt worden van het gegeven de internationale humanitaire organisatie in Congo waarnaar het rapport verwijst uitdrukkelijk stelt dat naast personen die tot de Banya ethnische groepen behoren ook Hutus en Tutsis het risico lopen om gediscrimineerd en lastiggevallen of geïntimideerd te worden. Dat het rapport van DIS minder recent is dan de COI Focus van verwerende partij doet als dusdanig geen afbreuk aan de waarde ervan voor het voorliggende geval, nu het DIS rapport ook refereert aan de situatie van Hutus in Kinshasa, wat niet het geval is voor de COI Focus.
Verzoeker argumenteert, op basis van de door hem door middel van een aanvullende nota neergelegde rapporten, dat in de verweernota ten onrechte wordt getracht de term ‘Rwandaphones’ te herleiden tot personen die Kinyarwanda, de taal gesproken in Rwanda, spreken. In het document van het Public Library of US Diplomacy, van 5 juni 2009 leest de Raad het volgende: “The literal meaning of “Rwandophone” is someone who speaks Kinyarwanda, the common language of Hutus and Tutsis in Rwanda, as well as in parts of eastern DRC and Southern Uganda. For the purpose of this analysis, “Rwandophone” is defined as anyone resident in the DRC with Rwandan ancestry. This category includes Hutus and Tutsis who settled in the Kivus several centuries ago, as well as Hutus and Tutsis who emigrated to the Kivus in the 20th century” (paragraaf 2). Zoals opgemerkt door de vertegenwoordigster van de commissaris-generaal blijkt hieruit enkel dat een ruimere definitie werd gehanteerd in de context van het rapport van de betrokken ambassadeur zodat hieruit niet als dusdanig kan worden afgeleid dat algemeen aanvaard is dat de term “rwandaphones” niet enkel op het taalkundig criterium slaat. Evenwel stelt de Raad ook vast dat de door de commissaris-generaal aangemerkte passages in het rapport van DIS aangeven dat “in het bijzonder” (in particular, p. 2) personen die Kinyarwanda spreken het voorwerp zijn van discriminatie, haatspraak en geweld dat in opmars is in het gehele land, wat ook inhoudt dat ook andere groepen hiervan het slachtoffer zijn. Hutus en Tutsis worden daarbij ook genoemd door de internationale humanitaire organisatie in de Democratische Republiek Congo, zoals blijkt uit het citaat uit het rapport.
De stelling dat iedere persoon die wordt geassocieerd met Rwanda zou worden geconfronteerd met grove discriminatie wordt ook aangehaald in het onderdeel van het rapport dat handelt over toegang tot onderwijs en waarbij uitdrukkelijk wordt gesteld dat degelijke discriminatie zich niet beperkt tot het onderwijssysteem. De volledige passage luidt als volgt: “When asked whether there are any cultural or ethnic barriers to the educational system in Kinshasa, the source stated that anyone perceived as being associated with Rwanda would face harsh discrimination – not just within the educational system – but in all parts of society. Moreover, the sources stressed that this discrimination against Rwandaphone people happens all across the DRC. As such, any person belonging to any of the Banya ethnic groups (Banyamulenge, Banyarwanda, Banyambisha) as well as Hutus and Tutsis are at risk of being discriminated against and harassed. The source has even heard of people not belonging to of these ethnic groups being attacked because the attackers thought the victims merely looked like Tutsis. The source explained that there has been tensions between Rwandaphone people and other ethnic groups in the DRC since colonial times, but since 2020, there has been a dramatic increase in hate speech against people associated with Rwanda on social media and elsewhere due to the increasing tensions between the two countries. This increase in hate speech has resulted in an increase in attacks on Rwandaphone people in the DRC, including in Kinshasa” (DIS, p. 40)”. In de notities van het interview met Professor Bazonzi dat als annex is opgenomen in het rapport identificeert deze professor de Banyamulenge dan weer als de enige groep waarmee in Kinshasa problemen zijn maar bestempelt dit eerder als een probleem van integratie en zelfs “zelf victimisatie” door deze groep.
De beschikbare rapporten geven geen uitsluitsel over de vraag of een persoon met verzoekers profiel, een persoon van Hutu origine die geen Kinyarwanda spreekt en ook geen Lingala maar wel Frans, die sinds 2002 niet meer in de Democratische Republiek Congo is geweest en dit land op 15-jarige leeftijd heeft verlaten, als dusdanig omwille van zijn afkomst uit Goma en ethnische origine, in geval van terugkeer naar Kinshasa, zal worden gepercipieerd als iemand die met Rwanda geassocieerd wordt.
Uit dit alles blijkt dat de beschikbare landeninformatie met betrekking tot de risico’s die Hutus uit Oost-Congo lopen om louter op basis van hun etnische afkomst met vervolging of dermate ernstige vormen van discriminatie geconfronteerd te worden dat deze met vervolging kan worden gelijkgesteld worden niet eenduidig is. Wel wordt in de door verzoeker aangebrachte rapporten wel minstens aangegeven dat Hutus in Kinshasa riskeren gediscrimineerd en lastiggevallen te worden en dat personen die met Rwanda worden geassocieerd geconfronteerd worden met grove discriminatie. Het is niet mogelijk om op basis van de beschikbare landeninformatie te besluiten dat elke persoon van Hutu origine uit Goma, die de voorbije twintig jaar niet in de DRC is geweest, louter omwille van zijn afkomst in geval van terugkeer naar Kinshasa met dermate ernstige discriminatie zou worden geconfronteerd dat dit met vervolging kan worden gelijkgesteld. De beschikbare landeninformatie is immers te weinig specifiek over de de aard en graad van discriminatie die dergelijke persoon te wachten staat in Kinshasa. Daarentegen blijkt wel dat er een reëel risico is dat personen met verzoekers profiel op basis van hun Hutu origine gediscrimineerd en lastiggevallen/geïntimideerd worden.
Daaruit volgt in elk geval wel dat, gelet op de door verzoeker bijgebrachte landeninformatie, de COI Focus van 13 maart 2023, waarop de bestreden beslissing uitsluitend is gebaseerd met betrekking tot de veiligheidssituatie in Kinshasa, niet kon volstaan voor de commissaris-generaal om te besluiten dat verzoeker geen vrees voor vervolging koestert in Kinshasa omdat “U toont niet aan dat u door uw herkomst uit het oosten, als Hutu-zijnde, een risico op het lijden van ernstige schade loopt, noch beschikt het CGVS over landeninformatie die hierop zou wijzen. Het CGVS beschikt daarentegen wel over informatie dat er een toenemende vijandigheid is in Congo ten aanzien van mensen van de Tutsi etnie, hetgeen niet op u van toepassing is”.
Hierboven werd er reeds op gewezen dat het aan de commissaris-generaal toekomt aan te tonen dat er een deel van het land van herkomst bestaat waar de verzoeker geen reden heeft om te vrezen voor vervolging of geen reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij moet de commissaris-generaal ervoor zorgen dat zij beschikt over nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen, waaronder het UNHCR en EUAA. Het valt niet in te zien waarom de commissaris-generaal, die over een gespecialiseerde documentatiedienst beschikt en zelf een rapport over de situatie van bepaalde etnische minderheden in Kinshasa heeft opgesteld, geen kennis kon hebben op het ogenblik van de bestreden beslissing van de hierboven besproken bronnen, waaronder een EUAA rapport, die door verzoeker werden voorgelegd en waaruit minstens blijkt dat personen van Hutu-herkomst in Kinshasa een risico lopen om te worden gediscrimineerd of lastiggevallen en dus relevant zijn voor het onderzoek naar de algemene veiligheidssituatie in Kinshasa voor personen met verzoekers profiel. Evenmin is duidelijk waarom de commissaris-generaal, in weerwil van artikel 8 van de Kwalificatierichtlijn, eveneens geen rekening houdt met het reeds door verzoeker in het kader van de procedure die aanleiding heeft gegeven tot het vernietigingsarrest bijgebrachte UNHCR standpunt van November 2022 en het zelfs niet toevoegt aan de landeninformatie in het administratief dossier.
Hoe dan ook kan de Raad niet anders dan vaststellen dat de omstandigheid dat verzoeker afkomstig is uit Goma, waar momenteel een intern gewapend conflict heerst en de staat van beleg is afgekondigd, in casu een bijkomende risicofactor is die tot bijkomende voorzichtigheid noopt, ook bij het onderzoek van objectieve landeninformatie.
Verder stelt de Raad vast, na grondige analyse van verzoekers persoonlijke omstandigheden in het licht van hetgeen hierboven werd uiteengezet over de algemene en veiligheidsomstandigheden voor personen van Hutu origine afkomstig uit Goma in Kinshasa, dat niet redelijkerwijze van verzoeker kan verwacht worden dat hij er zich hervestigt na terugkeer naar de DRC.
Tot nu toe heeft het Hof van Justitie zich nog niet uitgesproken over de redelijkheidsvoorwaarde in artikel 8 van de Kwalificatierichtlijn. In zijn rechtspraak over artikel 3 van het EVRM heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens toepassing van een ‘intern vluchtalternatief’ aanvaard op voorwaarde dat de betrokken persoon op wettige en veilige wijze kan reizen naar en toegang heeft in een deel van het land van herkomst en redelijkerwijze kan verwacht worden dat hij er zich vestigt (EHRM, Salah Sheekh v. The Netherlands, Application no.1948/04 , 11 January 2007, par. 143-144, EHRM, K.A.B. v. Sweden, Application no. 886/11, 5 September 2013, par. 80-85; EHRM, A.A.M. v. Sweden, Application no. 68519/10, 3 April 2014, par. 70-73). Ook UNHCR heeft in zijn “Guidelines on International Protection No. 4. "Internal Flight or Relocation Alternative" within the context of Article 1A(2) of the 1951 Convention and/or 1967 Protocol relating to the Status of Refugees (HCR/GIP/03/04)” van 23 juli 2003 een aantal criteria aangehaald die bij de toepassing van het de redelijkheidsvoorwaarde moeten worden in aanmerking genomen, met name “it is necessary to assess the applicant’s personal circumstances, the existence of past persecution, safety and security, respect for human rights, and possibility for economic survival” (UNHCR, par. 24).
Wat betreft de redelijkheidsvoorwaarde in artikel 48/5 § 3 van de Vreemdelingenwet kan uit de EHRM rechtspraak en de UNHCR richtlijnen worden afgeleid dat dit geval per geval moet worden beoordeeld, rekening houdend met de individuele omstandigheden van de betrokken verzoeker, met name zijn leeftijd, geslacht, gezondheid, handicap, familiale situatie en relaties alsook zijn scholing en professionele achtergrond, alsook vervolging in het verleden. De verzoeker moet in het geïdentificeerde binnenlands beschermingsalternatief in staat zijn om er zijn mensenrechten uit te oefenen en de mogelijkheid hebben om te voorzien in zijn levensonderhoud in menswaardige omstandigheden. In het bijzonder moet de verzoeker toegang hebben tot (i) onderdak; (ii) basisdiensten zoals drinkbaar water en sanitair, gezondheidszorg en onderwijs; en (iii) mogelijkheden om te voorzien in levensonderhoud dan wel bewezen en duurzame steun inzake levensonderhoud.