Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 299.985 - 12-01-2024

Samenvatting

De verzoekende partij betoogt dat de bestreden beslissing de aanvraag ontvankelijk verklaart, dat dit impliceert dat de verwerende partij haar identiteit en haar nationaliteit niet in twijfel trekt, ook al zou het voorgelegde paspoort bekomen zijn op grond van haar verklaringen bij de Somalische ambassade. Zij meent dan ook dat in tegenstelling tot het CGVS de verwerende partij van oordeel is dat haar identiteit niet ter discussie staat, wat haar goed recht is, dat inzake buitenlandse documenten immers de plano erkenningen gelden, waarbij zij citeert uit een arrest van de Raad van 15 maart 2017 met nr. 183 882 betreffende de erkenning van een buitenlandse huwelijksakte en stelt dat hetzelfde geldt voor buitenlandse paspoorten waar de verwerende partij haar eigen beoordelingsbevoegdheid heeft, dat zij deze ook heeft aangewend door het paspoort als bewijs van identiteit te aanvaarden door de aanvraag ontvankelijk te verklaren. De verzoekende partij betoogt dat het bijzonder tegenstrijdig is dat zij tot de ongegrondheid van de aanvraag besluit op basis van elementen die tot de ontvankelijkheid behoren, dat dit trouwens niet zomaar een detail is, dat de verwerende partij niet kan stellen over alle info te hebben beschikt op het moment dat de bestreden beslissing werd genomen, nu zij op quasi één en hetzelfde moment tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid besloot, dat er geen tijdspanne zit tussen de twee. Verder stelt zij ook nog dat de motivering op deugdelijke wijze moet gebeuren, dat men niet kan haar paspoort op basis van de eigen beoordeling aanvaarden – met bijgevolg alle erin vervatte gegevens – om daarna weer twijfel te zaaien omtrent haar land van herkomst in de gegrondheidsfase, dat dit laatste immers impliceert dat het paspoort behept is met een valsheid, wat dan weer impliceert dat het niet aanvaard kan worden en dus niet tot een ontvankelijkheidsverklaring kan leiden.

De verzoekende partij kan niet gevolgd worden waar zij meent dat het feit dat de aanvraag ontvankelijk werd verklaard, impliceert dat de verwerende partij haar identiteit en haar nationaliteit niet in twijfel trekt.

De verzoekende partij gaat eraan voorbij dat zij ten tijde van de indiening van de aanvraag per aangetekend schrijven op 18 november 2022, vrijgesteld was van het bijbrengen van identiteitsdocumenten aangezien haar asielaanvraag op dat moment nog hangende was.

Nu de verzoekende partij haar asielaanvraag op 18 november 2022 nog niet definitief afgewezen was, gelet op het arrest nr. 280 313 van 18 november 2022 – waarbij moet opgemerkt worden dat gezien de verwerende partij geen partij was bij het geschil inzake voormeld arrest het niet onredelijk is om aan te nemen dat zij op het ogenblik van het indienen van de aanvraag nog niet op de hoogte was van voormeld arrest – was de verplichting haar identiteit aan te tonen, conform artikel 9ter, §2, derde lid van de Vreemdelingenwet op haar niet van toepassing en diende de verwerende partij aldus niet over te gaan tot het onontvankelijk verklaren van de aanvraag op grond van artikel 9ter, §3, eerste lid, 2° van de Vreemdelingenwet.

Er blijkt evenwel nergens uit dat het ontvankelijk verklaren van de door de verzoekende partij ingediende aanvraag tot gevolg zou hebben dat haar identiteit en nationaliteit als op definitieve wijze aanvaard zou moeten worden beschouwd. Uit de bestreden beslissing blijkt ook niet dat uit het ontvankelijk verklaren van de aanvraag kan afgeleid worden dat de verwerende partij haar identiteit en haar nationaliteit niet in twijfel trekt, dat zij oordeelt dat haar identiteit niet ter discussie staat. Evenmin blijkt uit de bestreden beslissing dat het paspoort wordt aanvaard als bewijs van de identiteit van de verzoekende partij.
De verzoekende partij kan dan ook niet gevolgd worden waar zij meent dat de verwerende partij haar eigen beoordelingsbevoegdheid heeft aangewend door het paspoort als bewijs van identiteit te aanvaarden door de aanvraag ontvankelijk te verklaren.

Uit de bepalingen van artikel 9ter, §2 van de Vreemdelingenwet kan enkel worden afgeleid dat de vreemdeling die geen asielzoeker is wiens asielaanvraag niet definitief werd afgewezen of die tegen deze beslissing een toelaatbaar cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop een verwerpingsarrest inzake het toegelaten beroep is uitgesproken, op het ogenblik van het indienen van zijn aanvraag zelf zijn identiteit moet aantonen (cf. RvS 30 juni 2011, nr. 214.351) en dat de vreemdeling die in zijn aanvraag uitdrukkelijk aantoont dat hij wel een dergelijke asielzoeker is aan deze verplichting niet moet voldoen.

Uit de omstandigheid dat de vreemdeling die een asielzoeker is in de zin van artikel 9ter, §2, derde lid van de Vreemdelingenwet zijn identiteit niet moet aantonen bij het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf, kan niet worden afgeleid dat zijn identiteit op definitieve wijze aanvaard moet worden en dat zijn identiteit niet meer in vraag kan worden gesteld, zeker wanneer, zoals in casu, deze identiteit in de loop van de asielprocedure door de bevoegde asielinstanties in twijfel wordt getrokken.

De verzoekende partij maakt gelet op wat voorafgaat dan ook niet aannemelijk dat het bijzonder tegenstrijdig is dat de verwerende partij tot de ongegrondheid van de aanvraag besluit op basis van elementen die tot de ontvankelijkheid behoren.

De gemachtigde mag de machtigingsaanvraag immers slechts in een limitatief in artikel 9ter, §3 van de Vreemdelingenwet opgesomd aantal gevallen onontvankelijk verklaren, met name (onder andere) “indien, in de aanvraag, de vreemdeling zijn identiteit niet aantoont op de wijze bepaald in § 2 of wanneer de aanvraag het bewijs voorzien in § 2, derde lid, niet bevat”. Aangezien de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij zich in deze situatie bevindt noch in een van de overige situaties bedoeld in artikel 9ter, §3 van de Vreemdelingenwet, kon de verwerende partij de aanvraag niet onontvankelijk verklaren omdat de beweerde afkomst van de verzoekende partij niet geloofwaardig was. Gelet op het voorgaande is het niet kennelijk onredelijk dat de verwerende partij deze overweging pas in de bestreden beslissing, waarbij de gegrondheid van de machtigingsaanvraag diende te worden onderzocht en dus moest worden nagegaan of de verzoekende partij op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor haar leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in haar land van herkomst of het land waar zij verblijft, heeft gemaakt en heeft vastgesteld dat aangezien de verzoekende partij “in gebreke is gebleven (…) (haar) werkelijk land van herkomst kenbaar te maken, (…) het
onmogelijk (is) een onderzoek te voeren naar de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de medische zorgen in het land van herkomst”.

Gelet op wat voorafgaat kan de verzoekende partij aldus niet worden gevolgd dat men niet kan haar paspoort op basis van de eigen beoordeling aanvaarden – met bijgevolg alle erin vervatte gegevens – om daarna weer twijfel te zaaien omtrent haar land van herkomst in de gegrondheidsfase, dat dit laatste immers impliceert dat het paspoort behept is met een valsheid, wat dan weer impliceert dat het niet aanvaard kan worden en dus niet tot een ontvankelijkheidsverklaring kan leiden. Immers blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing niet dat het paspoort aanvaard werd in de ontvankelijkheidsfase als bewijs van haar identiteit of als bewijs van andere erin vervatte gegevens. De verzoekende partij maakt dan ook geenszins aannemelijk dat er geen deugdelijke motivering voorligt.

Het betoog dat de verwerende partij niet kan stellen niet over alle info te hebben beschikt op het moment dat de bestreden beslissing werd genomen, nu zij op quasi één en hetzelfde moment tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid besloot, dat er geen tijdspanne zit tussen de twee, is gelet op wat voorafgaat niet dienstig. Minstens verduidelijkt de verzoekende partij niet op welke wijze het feit dat er geen tijdspanne zit tussen de twee beslissingen – wat overigens geenszins kan blijken uit het loutere feit dat de bestreden beslissing meedeelt dat de aanvraag ontvankelijk is, te meer gelet op het feit dat de ontvankelijkheid dient beoordeeld te worden op het ogenblik van het indienen van de aanvraag – afbreuk kan doen aan voormelde vaststellingen.

Meer info