Samenvatting
Door middel van hun betoog viseren de verzoekers de volgende motieven uit de bestreden beslissing:
“Betrokkenen beroepen zich op het feit dat zij hier een woning aangekocht hebben waarvoor zij de lening uiteraard op regelmatige en stipte basis moeten terugbetalen. Dit element kan echter niet aanvaard worden als buitengewone omstandigheid aangezien het de persoonlijke keuze van betrokkenen is geweest om deze aankoop te doen op een ogenblik (met name op 06.04.2021) dat zij slechts in het bezit waren van een tijdelijk verblijfsrecht en zij dus wisten dat hun verblijf gebonden was aan strenge voorwaarden en mogelijks niet verlengd zou worden bij niet naleving van deze voorwaarden. Mevrouw had bovendien net een weigeringsbeslissing gekregen dd. 08.02.2021, op haar aanvraag tot het bekomen van onbeperkt verblijfsrecht. Dit element kan dan ook niet aanvaard worden als buitengewone omstandigheid.”
De Raad stelt vooreerst vast dat de gemachtigde blijkens de bestreden akte aanneemt dat de verzoekers in hun machtigingsaanvraag erop hadden gewezen dat zij een woning hebben aangekocht waarvoor zij een lening dienen terug te betalen. De gemachtigde stelt echter dat dit element niet aanvaard kan worden als een buitengewone omstandigheid. Verder wordt evenmin betwist dat de verzoekers op het ogenblik dat zij overgingen tot de aankoop van hun woning over een legaal verblijf in België beschikten. Zo wordt ook hogerop in de bestreden beslissing het volgende vermeld: “Gezien hun legale verblijf van 04.12.2014 tot 31.10.2021 (voor mevrouw) en van 03.11.2015 tot 31.10.2021 (voor mijnheer) mag aangenomen worden dat betrokkenen wel degelijk banden hebben opgebouwd in België.” Bovendien wordt in de hierboven geciteerde paragraaf uitdrukkelijk bevestigd dat de verzoekers in het bezit waren van een tijdelijk verblijfsrecht op het ogenblik van de aankoop van de woning.
De gemachtigde oordeelt dat de aankoop van de woning in België en de verplichtingen die voortvloeien uit de hypothecaire lening niet als een buitengewone omstandigheid worden aanvaard “aangezien het de persoonlijke keuze van betrokkenen is geweest om deze aankoop te doen op een ogenblik (met name op 06.04.2021) dat zij slechts in het bezit waren van een tijdelijk verblijfsrecht en zij dus wisten dat hun verblijf gebonden was aan strenge voorwaarden en mogelijks niet verlengd zou worden bij niet naleving van deze voorwaarden. Mevrouw had bovendien net een weigeringsbeslissing gekregen dd. 08.02.2021, op haar aanvraag tot het bekomen van onbeperkt verblijfsrecht”. In essentie is de gemachtigde aldus van oordeel dat de verzoekers zelf verantwoordelijk zijn voor de keuze om een woning aan te kopen met een hypothecaire lening terwijl zij slechts beschikten over een tijdelijk verblijfsrecht dat mogelijks niet verlengd zou worden en dat deze situatie daarom niet als een buitengewone omstandigheid wordt aanvaard.
Hieruit blijkt dus dat de gemachtigde, blijkens de motivering van de bestreden beslissing, niet in concreto naging of de aankoop van een woning in België en de verplichtingen die voortvloeien uit de hypothecaire lening de facto een belemmering kunnen vormen voor het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf via de reguliere procedure – een procedureel gegeven –, maar dat de gemachtigde eenvoudigweg stelt dat de aankoop van de woning in België en de verplichtingen die voortvloeien uit de hypothecaire lening niet als een buitengewone omstandigheid worden aanvaard omdat het de persoonlijke keuze van de verzoekers is geweest om deze aankoop reeds te doen op een ogenblik dat zij slechts in het bezit waren van een tijdelijk verblijfsrecht dat mogelijks niet verlengd zou worden bij niet naleving van de eraan verbonden voorwaarden. Een dergelijk standpunt is evenwel niet in overeenstemming met de bepalingen van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet. Uit de bewoordingen van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet blijkt immers niet dat situaties die het gevolg zijn van het eigen handelen of een eigen keuze van een vreemdeling geen buitengewone omstandigheden kunnen uitmaken en hieruit blijkt evenmin dat de gemachtigde bij het ontvankelijkheidsonderzoek vermag voorbij te gaan aan concreet bestaande situaties omdat zij het gevolg zijn van het eigen keuze van een vreemdeling.
De overwegingen in de bestreden beslissing tonen derhalve aan dat verweerder niet op zorgvuldige wijze heeft onderzocht en niet op afdoende wijze heeft gemotiveerd waarom de aankoop van een woning in België en de verplichtingen die voortvloeien uit de hypothecaire lening geen “buitengewone omstandigheden” vormen in de zin van artikel 9bis, § 1, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. De gemachtigde motiveert niet op pertinente en draagkrachtige wijze en de geboden motieven geven blijk van een onzorgvuldig onderzoek inzake de in artikel 9bis van de Vreemdelingenwet bedoelde buitengewone omstandigheden waar de gemachtigde de aankoop van een woning en de daaruit voorvloeiende verplichtingen inzake de hypothecaire lening niet als een buitengewone omstandigheid aanneemt louter omdat de verzoekers er zelf voor gekozen hebben om een woning te kopen op een moment dat zij slechts over een tijdelijk verblijfsrecht beschikten en zonder zich uit te spreken over de vraag of deze concrete en niet-betwiste situatie al dan niet duidt op een bijzondere moeilijkheid voor de verzoekers om de aanvraag in te dienen via de reguliere procedure, dit is via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland.