Samenvatting
In dit arrest vernietigde de RvV een weigering van een aanvraag gezinshereniging met een Belgisch minderjarig kind. De reden voor weigering was dat de aanvrager een paspoort voorgelegd had dat enkele maanden vervallen was.
De Iraakse moeder had bij haar aanvraag op 9 april 2024 een paspoort voorgelegd dat geldig was tot 8 februari 2024. De RvV stelde vast dat de authenticiteit van het paspoort en de afstammingsband tussen moeder en kind niet betwist werden. Bovendien werd niet onderzocht of een verblijfsrecht op grond van art. 20 VWEU aan de orde is, hoewel de Iraakse vrouw een erg jong Belgisch minderjarig kind heeft. De RvV stelde een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in het licht van art. 20 VWEU vast.
Tenslotte voegde de Raad toe dat, hoewel arrest 131/2024 van het GwH niet gekend was op het ogenblik waarop de bestreden beslissing genomen werd, de vereiste van een geldig paspoort niet onverkort geldt nu de ongrondwettigheid van de rechtsgrond van de beslissing vastgesteld werd door het GwH, en deze getemperd moet worden. De tempering had er volgens de RvV in kunnen bestaan de Iraakse vrouw erop te wijzen dat zij een geldig paspoort diende voor te leggen.