Samenvatting
De rechtbank van eerste aanleg Brussel oordeelt in deze zaak dat het gezin van een persoon met verblijfsrecht in België, aan wie een humanitair visum werd toegekend, op de evacuatielijst moet worden geplaatst. In dit geval werden enkel humanitaire visa toegekend, zonder dat er in hetzelfde gezin sprake is van een visum gezinshereniging is. De toekenning van een humanitair visum erkent de bijzondere kwetsbare situatie van aanvragers en het visum geeft hen het recht om het Belgisch grondgebied binnen te komen. Hoewel deze personen niet kunnen geniet van consulaire bijstand (op basis van artikel 75 van het Consulair Wetboek), moet een redelijke en vooruitziende overheid toch het nodige te doen om ervoor te zorgen dat die personen kunnen genieten van het toegekende visum. De rechter verwijst hiervoor naar de beginselen van behoorlijk bestuur, het zorgvuldigheids-, redelijkheids- en vertrouwensbeginsel, de artikelen 6.5 en 6.6 van het Burgerlijk Wetboek. Bovendien wordt ook verwezen naar de artikelen 2 en 8 EVRM, omdat er volgens de rechter toch een zekere mate van rechtsmacht is onder artikel 1 EVRM. Dit komt zowel door de toekenning van het humanitair visum en de aanwezigheid van het gezinslid op het Belgisch grondgebied.