Samenvatting
De ambtenaar van burgerlijke stand kende aan het kind van Palestijnse origine dat geboren werd in België in toepassing van artikel 10 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit de Belgische nationaliteit toe omdat het anders staatloos zou zijn.
De moeder van het kind, bij UNRWA geregistreerd als Palestijns vluchteling, diende een verzoek om internationale bescherming in, en diende ook een aanvraag gezinshereniging in als ouder van een Belgisch minderjarig kind. Tien maanden na die laatste aanvraag verzocht Dienst Vreemdelingenzaken aan de ambtenaar van burgerlijke stand om de nationaliteit van het kind in het Rijksregister te verbeteren omdat het, volgens hen, niet de Belgische nationaliteit had mogen krijgen. De ambtenaar van burgerlijke stand past daarop de nationaliteit van het kind in het Rijksregister aan. De verzoekers stellen hierover niet geïnformeerd te zijn geweest. Na de aanpassing van de nationaliteit van het kind, stelt DVZ dat de aanvraag gezinshereniging van de moeder zonder voorwerp is geworden omdat het kind niet de Belgische nationaliteit heeft.
Na aandringen van de advocaat van het gezin, bevestigt de burgermeester de beslissing tot verandering van de nationaliteit: de nationaliteit had niet mogen worden toegekend. Tegen deze beslissing wordt beroep ingesteld.
De rechtbank verwijst naar artikel 6 van het oud Burgerlijk Wetboek waarin staat dat de burgerlijke stand de rechtszekerheid inzake de staat van de persoon moet garanderen. Dat kan volgens de rechter door enerzijds de grondrechten van burgers te respecteren en anderzijds de beginselen van behoorlijk bestuur toe te passen.
De rechter benoemt dat er geen vaststaande praktijk is voor de toepassing van artikel 10 WBN kinderen van Palestijnse origine geboren in België, maar dat telkens de specifieke situatie van de betrokkene onderzocht moet worden en dat de ambtenaar van burgerlijke stand daarbij discretionaire bevoegdheid heeft. In dit geval kan de ambtenaar van burgerlijke stand niet duiden welke fout of vergissing hij precies beging bij het toekennen van de Belgische nationaliteit aan het kind: het feit dat DVZ niet dezelfde redenering volgt, is geen vergissing an sich, aldus de rechter. De rechtbank benoemt het dan ook als een fout van de ambtenaar van burgerlijke stand en een inbreuk op diens onafhankelijkheid, om klakkeloos de instructies van DVZ, die niet bevoegd is voor nationaliteit en om instructies daarover te geven, te volgen.
Daarnaast meent de rechter ook dat de wijziging van de nationaliteit van het kind geen rechtzetting van een vergissing is waartoe de ambtenaar van burgerlijke stand gemachtigd is. Volgens de rechter had de ABS advies van de procureur des Konings moeten inwinnen, en had de ambtenaar van burgerlijke stand zich tot de familierechtbank moeten wenden om te oordelen of dit effectief een fout is die voor verbetering in aanmerking komt, of dat artikel 10 §3 WBN toegepast moest worden. Die paragraaf van artikel 10 voorziet dat de Belgische nationaliteit die aan het staatloos kind wordt toegekend behouden blijft zolang er voor de 18e verjaardag niet is aangetoond dat het kind een andere nationaliteit heeft.
Verder stelt de rechter dat het zorgvuldigheidsbeginsel, en de formele en inhoudelijke motiveringsplicht en het vertrouwensbeginsel geschonden werden omdat de beslissing tot wijziging van de nationaliteit niet gemotiveerd werd door de ambtenaar van burgerlijke stand, en de ouders er niet onmiddellijk van op de hoogte werden gebracht.
De rechter meent dat er een manifest onwettige aantasting van een subjectief recht is en vernietigt dan ook de beslissing van de ambtenaar van burgerlijke stand waarbij de Belgische nationaliteit van het kind werd ingetrokken. De verwerende partij moet de kosten van de procedure betalen.