Ontvankelijkheidsprocedure
In de hieronder opgesomde gevallen doet het CGVS eerst een ontvankelijkheidsonderzoek van je VIB. Het CGVS kan dan:
- je verzoek weigeren met een niet-ontvakelijkheidsbeslissing.
- of je verzoek ontvankelijk verklaren als het CGVS vaststelt dat de voorwaarden voor zo’n niet-ontvankelijkheidsbeslissing niet vervuld zijn. Je dossier wordt dan ten gronde onderzocht.
Voor een ontvankelijkheidsonderzoek geldt een verkorte oproepingstermijn van 2 dagen (art. 7, § 5 Procedurereglement CGVS).
APR maakt een duidelijk onderscheid tussen het persoonlijk onderhoud in de ontvankelijkheidsfase en het onderhoud ten gronde (‘inhoudelijk onderhoud’). Tijdens het onderhoud over de ontvankelijkheid krijg je de mogelijkheid om aan te tonen waarom de gronden van niet-ontvankelijkheid niet op jou van toepassing zijn.
Bij een ontvankelijkheidsonderzoek in geval van een ‘volgend verzoek’ is het CGVS niet verplicht om je te horen.
Het CGVS heeft 2 maanden om over de ontvankelijkheid van je VIB te beslissen. Deze termijn mag maximum met 2 maanden worden verlengd als:
- er te veel verzoeken tegelijk binnenkomen
- het dossier te ingewikkeld is
- je zelf de vertraging veroorzaakt door je verplichtingen niet na te komen
Het zijn termijnen van orde, waardoor je verzoek niet automatisch ontvankelijk wordt verklaard als CGVS deze termijnen niet respecteert.
Tegen een beslissing van niet-ontvankelijkheid kan je binnen een termijn van 10 dagen (art. 2.15, § 2, 3°, a) RvV-wet) een niet automatisch schorsend beroep indienen bij de RvV (art. 2.29, § 2 RvV-wet). In je verzoekschrift tot vernietiging kan je bij wijze van voorlopige maatregel ‘de toestemming vragen om te blijven’ (art. 2.29, § 2, eerste alinea RvV-Wet). Tijdens de procedure om uitspraak te doen over je verzoek om te mogen blijven, kan je niet worden verwijderd van het grondgebied. Als je de toestemming krijgt om te blijven is je beroep schorsend. Er gelden uitzonderingen voor een ‘volgend verzoek’!
Op beroepen tegen een niet-ontvankelijkheidsbeslissing zal de RvV de versnelde procedure toepassen. De rechter zal uitspraak doen binnen de 4 maanden vanaf de indiening van je beroep <LINK: art. 2.61, § 2 RvV-wet>.
Verschillende gronden
Heb je al bescherming in een derde land dan geldt het weerlegbaar vermoeden dat je geen behoefte hebt aan internationale bescherming.
Een derde land kan beschouwd worden als ‘eerste land van asiel’ wanneer je daar reële en daadwerkelijke bescherming geniet, d.w.z.:
- als erkend vluchteling of een gelijkwaardig statuut met respect voor het non-refoulementbeginsel
- de geboden bescherming is actueel en toereikend
- je wordt opnieuw tot het grondgebied van dat land toegelaten
Bij de beoordeling van het ‘eerste land van asiel’ houdt het CGVS rekening met de algemene toestand en je persoonlijke situatie.
Het vermoeden dat je geen bescherming hoeft omdat je al bescherming hebt in een derde land kan je weerleggen door aan te tonen dat:
- Je niet langer beroep kan doen op reële bescherming.
- Je niet opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten.
Wanneer je verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat het begrip ‘eerste land van asiel’ wordt toegepast geeft het CGVS je een document mee waarin de autoriteiten van dat land, in de taal van het land, worden geïnformeerd dat jouw verzoek niet inhoudelijk werd behandeld.
Als het derde land je niet opnieuw toelaat tot zijn grondgebied of niet binnen de gestelde termijn antwoord, krijg je toegang tot de procedure ten gronde.
Een ‘veilig derde land’ is een land:
- dat door de Europese Unie of door België is aangewezen als ‘veilig derde land’ of
- waar je overeenkomstig volgende beginselen zal worden behandeld:
- het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging;
- er bestaat geen risico op ernstige schade
- het non-refoulementbeginsel wordt er gerespecteerd en het verbod op verwijdering naar een land met risico op foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of straffen wordt nageleefd
- er de mogelijkheid bestaat om ‘doeltreffende bescherming ‘aan te vragen:
Het derde land waarborgt een ‘doeltreffende bescherming’ als je er de vluchtelingenstatus kan vragen volgens de Conventie van Genève. Is de Conventie van Genève niet van toepassing dan:
- moet je de toestemming hebben van het derde land om er te mogen blijven.
- je hebt toegang tot toereikende bestaansmiddelen voor een adequate levenstandaard
- je hebt toegang tot gezondheidszorg en essentiële behandeling van ziekten
- je hebt toegang tot basisonderwijs
- je krijgt doeltreffende bescherming totdat er een duurzame oplossing wordt gevonden
Bij de aanwijzing van een derde land als ‘veilig derde land’ kunnen er uitzonderingen worden gemaakt voor specifieke delen van het grondgebied of voor bepaalde categorieën personen.
APR voorziet ook in de mogelijkheid voor Europa om een lijst van veilige derde landen op te stellen. Daarnaast kan ook België voorzien in een lijst van andere (dan de landen die voorkomen op de Europese lijst) veilige derde landen. Tot op heden is er geen Europese lijst noch een Belgische lijst van veilige derde landen.
Als het ‘veilig derde land’ aan deze voorwaarden voldoet mag jij aan dat land worden overgedragen indien:
- je een zodanige band hebt met dat land dat het voor jou redelijk is om ernaar terug te gaan
- je door het derde land bent gereisd
- de Europese Unie of België een overeenkomst heeft gesloten met dat land om je VIB daar te behandelen. Voor niet-begeleide minderjarigen (NBMV) kan deze categorie niet worden toegepast.
Dat een land wordt beoordeeld als ‘veilig derde land’ is een weerlegbaar vermoeden, waardoor je elementen kan aanbrengen om aan te tonen dat het begrip ‘veilig derde land’ niet op jou van toepassing is.
Wanneer je VIB door de toepassing van he begrip ‘veilig derde land’ niet-ontvankelijk wordt verklaard geeft het CGVS je een document mee waarin de autoriteiten van dat land, in de taal van het land, worden geïnformeerd dat jouw verzoek niet inhoudelijk werd behandeld.
Als het betrokken land je niet (opnieuw) toelaat tot zijn grondgebied krijg je toegang tot de procedure ten gronde.
Heb je al een beschermingsstatus (erkend vluchteling of subsidiaire bescherming) in een andere EU-lidstaat (ook M-status genoemd) dan kan je in principe geen bescherming meer krijgen in België.
Er geldt een weerlegbaar vermoeden dat je geen nood meer hebt aan bescherming. Het CGVS verklaart deze verzoeken doorgaans niet-ontvankelijk, omdat alle EU-lidstaten zijn gebonden door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het EU-acquis. Hiertoe behoort het gemeenschappelijk Europees asielsysteem, dat zowel de fundamentele als de sociale rechten van erkende vluchtelingen en subsidiaire beschermde, zoals het non-refoulementbeginsel, waarborgt.
In uitzonderlijke gevallen wordt je verzoek door het CGVS toch ten gronde onderzocht:
- je kan aantonen dat je je niet meer op je beschermingsstatus kan beroepen
- je wel nog een beroep kan doen op de beschermingsstatus maar dat deze niet meer effectief is. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) zegt in haar arrest Ibrahim van 19 maart 2019, C-297/17 dat: een terugkeer niet mag neerkomen op een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie waardoor je als beschermde persoon niet in staat bent om te voorzien in ‘de meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid’
Sinds de wetswijziging van 14 juli 2025 beschouwen de Belgische instanties een verzoek om internationale bescherming na een M-status als een ‘volgend verzoek’(art. 50, § 5 Vw.).
In de procedureverordening (APR) wordt niet expliciet gezegd of het over een definitieve positieve of definitieve negatieve beslissing gaat. Het Grondwettelijk Hof (GwH) heeft hierover een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie (HvJ). Het HvJ sprak zich al eerder uit over een definitieve beslissing in een andere lidstaat maar toen ging het over een definitieve negatieve beslissen.
Ben je een Unieburger of ben je een onderdaan van een kandidaat-lidstaat, dan kan je in België een VIB indienen. Je verzoek zal echter maar in zeer uitzonderlijke gevallen ontvankelijk worden verklaard <LINK: art. 57/6, § 3, 4° Vw>.
Het CGVS gaat ervan uit dat de andere EU-lidstaten ‘veilige landen’ zijn. De EU-lidstaten zijn immers gebonden aan het EVRM en het EU-acquis. Er bestaat een weerlegbaar vermoeden dat je geen nood hebt aan bescherming. Je kan dit vermoeden weerleggen door elementen voor te leggen waaruit blijkt dat je ten aanzien van jouw land een gegronde vrees voor vervolging hebt of een reëel risico loopt op ernstige schade.
Als een internationaal strafgerecht heeft gezorgd voor een veilige herplaatsing naar een andere lidstaat of naar een derde land dan wordt je verzoek niet-ontvankelijk verklaard tenzij er nieuwe relevante omstandigheden zijn waarmee het strafhof of tribunaal geen rekening heeft gehouden of die niet voor het strafgerecht konden worden gebracht.
Je diende je verzoek pas in na 7 werkdagen nadat je een terugkeerbesluit hebt ontvangen. Je was op de hoogte van de gevolgen van het niet doen van verzoek binnen de 7 dagen en je kan geen nieuwe relevante elementen voordragen.
In dit geval heeft het CGVS maar 10 dagen om je verzoek te behandelen.
Lees meer over de procedure bij een volgend verzoek.
Procedure bij volgend verzoek
Als je in België een VIB doet nadat je een definitieve beslissing kreeg, in België of in een ander lidstaat, word je VIB als een ‘volgend verzoek’ beschouwd.
Het begrip ‘definitieve beslissing’ omvat ook beslissingen tot niet-ontvankelijkheid en expliciete en impliciete intrekkingen.
In de procedureverordening wordt niet expliciet gezegd of het over een definitieve positieve of definitieve negatieve beslissing gaat. Het Grondwettelijk Hof (GwH) heeft hierover een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie (HvJ). Het HvJ sprak zich al eerder uit over een definitieve beslissing in een andere lidstaat maar toen ging het over een definitieve negatieve beslissen.
Als je een begeleide minderjarige bent, kan je volgens APR in eigen naam een verzoek indienen als je overeenkomstig het recht van de lidstaat waar je je verzoek doet, handelingsbekwaam bent. Volgens de Belgische wetgever ben je handelingsbekwaam om een VIB in te dienen als je meerderjarig bent. Dus als minderjarige kan je in België geen verzoek indienen in eigen naam. Jouw wettelijke vertegenwoordiger moet dat dan voor jou doen.
Een verzoek ingediend door een ouder/wettelijke vertegenwoordiger voor een begeleide minderjarige, na het eigen verzoek van die ouder/wettelijke vertegenwoordiger, is een volgend verzoek.
Om een ‘volgend verzoek’ te kunnen indienen moet je beschikken over nieuwe elementen of nieuwe feiten ten opzichte van je eerdere verzoeken.
De procedure wijkt af van de standaardprocedure:
DVZ
Bij het indienen van je VIB krijg je bij een volgend verzoek een bijlage 26quinquies (art. 73 Vb.) ipv een bijlage 26 of een bijlage 25quinquies (art. 72, §1, eerste lid Vb.) i.p.v. een bijlage 25 als je je volgend verzoek aan de grens doet. Je ontvangt nog geen attest van immatriculatie (AI) na controle van je effectieve verblijfplaats. Je krijgt dit attest pas als het CGVS jouw verzoek ontvankelijk verklaart.
Als je bijlage 26quinquies vervalt, kan je deze laten verlengen door een aanvullend attest van de dienst internationale bescherming van DVZ. Dit gebeurt per e-mail aan extend26qq@ibz.fgov.be.
- Bij het voorbereidend interview (art. 51/10 Vw.) zal DVZ vragen naar de nieuwe elementen en waarom je deze nog niet eerder aanbracht. Daarna wordt je dossier overgemaakt aan het CGVS.
CGVS
Het CGVS onderzoekt of er nieuwe elementen zijn die:
- de kans aanzienlijk groter maken dat je voor een beschermingsstatus in aanmerking komt of
- verband houden met een eerdere niet-ontvankelijkheidsgrond als je verzoek niet-ontvankelijk werd verklaard
Is dit het geval, dan wordt je volgend verzoek ontvankelijk verklaard en zal het verder ten gronde worden behandeld. De gemeente levert je dan een attest van immatriculatie (AI) af.
- Bij gebrek aan nieuwe elementen, verklaart het CVGS je verzoek niet-ontvankelijk <LINK: art. 57/6/2, § 1, lid 1 Vw>.
Volgens het Grondwettelijk Hof is het niet toegestaan dat het CGVS een volgend verzoek niet-ontvankelijk verklaart met als enige grond dat je tijdens de vorige procedure de elementen die de indiening van je volgend verzoek rechtvaardigen niet hebt voorgelegd. Het CGVS is immers verplicht om zich uit te spreken over het risico op refoulement. Dit betekent onder meer dat het CGVS moet nagaan of deze nieuwe elementen de kans op bescherming aanzienlijk verhogen.
RvV
- De beroepstermijn bedraagt 10 dagen
- Beroepstermijn bedraagt 5 dagen in geval vasthouding
- Het beroep is niet automatisch schorsend (art. 2.29, § 2 RvV-wet). In je verzoekschrift tot vernietiging kan je bij wijze van voorlopige maatregel ‘de toestemming vragen om te blijven’ (art. 2.29, § 2, eerste alinea RvV-Wet). Tijdens de procedure om uitspraak te doen over je verzoek om te mogen blijven, kan je niet worden verwijderd van het grondgebied. Als je de toestemming krijgt om te blijven is je beroep schorsend. Er gelden uitzonderingen voor een ‘volgend verzoek’!
- Het beroep is niet-schorsend en je hebt geen recht om te blijven wanneer het gaat om:
- eerste volgend verzoek (=tweede verzoek) en
- je wordt vastgehouden en
- ingediend binnen het jaar na de definitieve beslissing van je eerste verzoek
- tweede, derde,… volgend verzoek, waarbij het voorgaande verzoek niet-ontvankelijk, ongegrond of kennelijk ongegrond werd verklaard
- eerste volgend verzoek (=tweede verzoek) en
Je kan dus van het grondgebied worden verwijderd tijdens je beroepsprocedure maar hierbij moet wel rekening worden gehouden met het beginsel van non-refoulement.