Cass: woonstbetreding zonder toestemming van de persoon die daadwerkelijk genot heeft, is onwettig

In het kort

Een woonstbetreding is onwettig als de persoon die daadwerkelijk het genot heeft van de woning zelf geen toestemming geeft, ook al geeft de huurder van de woning wel toestemming. Dat stelt het Hof van Cassatie in een arrest van 23-12-2025. Het doorslaggevend criterium is het ‘daadwerkelijk genot hebben’ van de woning, zoals voorzien in de Huiszoekingwet.

Echtgenote wel toestemming, persoon in onwettig verblijf niet

Een Congolese man zonder wettig verblijf werd gearresteerd in de woning waar hij samenwoonde met zijn echtgenote. De echtgenote, huurder van de woning, gaf schriftelijke toestemming voor de woonstbetreding, de man zelf niet. 

De man werd uiteindelijk opgesloten in een gesloten centrum en tekende hiertegen beroep aan bij de raadkamer te Marche-en-Famenne, die zijn beroep gegrond verklaarde. De Belgische staat ging tegen dit vonnis in beroep bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Luik (KI). 

De KI oordeelde in een arrest van 27 november 2025 dat de arrestatie van de man wel degelijk wettig was, gezien de woning enkel gehuurd werd door de echtgenote en zij het toestemmingsformulier voor de huiszoeking ondertekende. Haar toestemming was dan ook vrijwillig en gebeurde met kennis van zaken. 

De toestemming van de man was volgens de KI niet nodig om de politie toegang tot de woning te verlenen, gelet op het feit dat hij geen huurder was. 

De man tekende cassatieberoep aan tegen het arrest van de KI, stellende dat hij effectief woonachtig was op het adres, zodat ook hij toestemming voor de woonstbetreding diende te geven.  

Het Hof van Cassatie gaf de man gelijk en oordeelde in zijn arrest van 23 december 2025 dat een woonstbetreding inderdaad onwettig is wanneer de betrokkene zelf geen toestemming geeft, ook al doet de huurder van de woning dit wel. 

Het Hof van Cassatie vernietigde het arrest en stuurde de zaak terug naar de Luikse KI, die in een arrest van 14 januari 2026 deze cassatierechtspraak volgde en bevestigde dat de huiszoeking in kwestie onwettig was aangezien de man, die het daadwerkelijk genot had van de woning, geen toestemming hiervoor gaf. 

Artikel 8 EVRM, artikel 15 GW en artikel 2 Huiszoekingswet

De man beriep zich voor het Hof van Cassatie op een schending van artikel 8 EVRM, artikel 15 van de Grondwet en artikel 2 van de Wet van 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize of huiszoeking mag worden verricht (Huiszoekingwet).

Artikel 8 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op eerbiediging van zijn woning en geen inmenging door een overheidsinstantie mag plaatsvinden, tenzij deze inmenging bij de wet voorzien is en noodzakelijk is voor de openbare orde of de nationale veiligheid. 

Conform artikel 15 van de Grondwet is de woning onschendbaar en mogen huiszoekingen alleen plaatsvinden in de gevallen voorzien door de wet en in de vorm die de wet voorschrijft.

Deze bepalingen verbieden niet dat afstand wordt gedaan van het recht op bescherming van de woning en dit door aan de overheid toestemming te gegeven de woning te betreden. 

Op grond van de Huiszoekingwet moet, wanneer een politiedienst een voor het publiek niet toegankelijke plaats betreedt, de ‘persoon die het daadwerkelijke genot van die plaats heeft’ voorafgaandelijk toestemming verlenen en moet deze toestemming schriftelijk worden vastgelegd.

Wanneer beide echtgenoten daadwerkelijk het gebruik van de woning hebben, kan een van de samenwonenden alleen geldig instemmen met de huiszoeking als de ander daartoe niet in staat is.

Aangezien op het ogenblik dat de politie zich aan de woning meldde, niet werd vastgesteld dat de man niet in staat was om zijn toestemming te geven, was de woonstbetreding volgens de man dan ook onwettig.  

Persoon die daadwerkelijk genot heeft moet toestemming geven

Het Hof van Cassatie volgde de redenering van de man en oordeelde dat de KI er onterecht vanuit ging dat de man niet moest instemmen met de huiszoeking omdat hijzelf niet de huurder was. 

Door een dergelijke redenering wordt het begrip ‘persoon die het werkelijk genot heeft van de plaats’, zoals voorzien in de Huiszoekingwet, immers ten onrechte beperkt tot de bewoner die een ‘recht heeft op de plaats’, nl. in dit geval de huurder

De KI besliste volgens het Hof van Cassatie dan ook onterecht dat de wettigheid van de huiszoeking niet afhankelijk was van de toestemming van de betrokkene, die in de woning samenwoonde met zijn echtgenote en dus het werkelijk genot had van de plaats.