RvV: niet nakomen afspraak met oog op vasthouding in kader van dublinoverdracht is niet gelijk aan onderduiken

In het kort

In arrest 337.990 van 17-12-2025 verduidelijkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) het begrip ‘onderduiken’. Hij verwijst hierbij naar het Jawo-arrest van het Hof van Justitie (HvJ). Het Hof stelt daarin dat het niet vrijwillig uitvoeren van een overdrachtsbesluit op zichzelf geen onderduiking is zoals bedoeld in de Dublinverordening. De RvV oordeelde in oudere arresten van 29-11-2022 en 23-12-2022 al dat de medewerking weigeren aan vrijwillige terugkeer niet gelijk is aan onderduiken. Het huidig arrest bevestigt deze conclusie, ook ná de invoering van een definitie van onderduiken in artikel 51/5 §6 van de Verblijfswet.

Afspraak voor organisatie van gedwongen overdracht, is geen deel van procedure vrijwillige terugkeer (aanklampende begeleidingstraject)

De Verblijfswet definieert iemand als ondergedoken indien hij zich opzettelijk onttrekt aan de autoriteiten die belast zijn met de uitvoering van de overdracht, teneinde deze overdracht te voorkomen [...].

Een vreemdeling kan worden gezien als ondergedoken onder meer:

°3 indien de vreemdeling zich niet heeft aangeboden op de gesprekken die voor het aanklampende begeleidingstraject in het kader van een overdrachtsprocedure in de zin van artikel 74/25 zijn gepland en daarvoor geen geldige reden schriftelijk heeft meegedeeld binnen de drie werkdagen

°5 indien de vreemdeling de minder dwingende maatregel voor vasthouding [...] niet heeft gerespecteerd.

De DVZ motiveerde dat verzoeker werd geacht te zijn ondergedoken op basis van dit laatste punt.

In huidige zaak was verzoeker aanwezig op de gesprekken in het kader van het aanklampend begeleidingstraject ICAM, maar kwam hij niet naar de afspraak in het kader van de gedwongen overdracht. De vraag stelt zich dus of het niet komen opdagen voor deze laatste afspraak, kan worden gezien als onderduiken. 

Hoewel de verlenging niet op deze basis is gemotiveerd, werpt verzoeker op dat de afspraak in het kader van de gedwongen overdracht, geen onderdeel meer uitmaakt van het aanklampende begeleidingstraject. Bijgevolg mag DVZ zich niet beroepen op artikel 51/5 §6 °3 om verzoeker als ondergedoken te beschouwen. Verzoeker is namelijk wél naar beide interviews geweest in het kader van het aanklampend begeleidingstraject.

De Raad treedt verzoeker hierin bij. Hij baseert zich hier op het feit dat:

  • De begeleiding door de ICAM coach werd stopgezet voor verzoeker werd uitgenodigd voor de afspraak in het kader van de gedwongen overdracht
  • Duidelijk blijkt uit de uitnodiging dat het niet gaat om een begeleidingstraject in de zin van artikel 74/25 Vw: verzoeker dient zich aan te bieden met oog op de organisatie van de overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat met vasthouding in een gesloten centrum ten dien einde.

Geen sprake van ‘ondergedoken’ bij niet naleven minder dwingende maatregelen, wanneer DVZ geen minder dwingende maatregel voorstelde

De RvV treedt verzoeker ook bij in de vaststelling dat nergens in de bestreden beslissing wordt gespecifieerd welke minder dwingende maatregel voor vasthouding verzoeker niet zou hebben gerespecteerd.  Dit blijkt in geen geval uit het administratief dossier. 

Ten slotte is de Raad ook van mening dat het feit dat verzoeker zich 2 dagen voor de beslissing tot verlenging van de overdrachtstermijn, heeft aangeboden bij DVZ, in rekening had moeten worden genomen bij de beoordeling tot onderduiken.

De beslissing tot verlenging van de overdrachtstermijn wordt vernietigd. Verzoeker kan niet worden beschouwd als ondergedoken en er bestaat bijgevolg geen grond voor de verlenging. 

Toepassing in de praktijk

In de praktijk neemt een beroep tegen verlenging van de overdrachtstermijn al snel enkele maanden in beslag, waardoor dit beroep vaak niet effectief is. In de huidige zaak werden voorlopige maatregelen gevraagd op basis van een hangend schorsingsberoep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn. Aangezien de beslissing tot verlenging van de overdrachtstermijn niet als een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel kan worden gezien, werd het beroep via uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN) enkel ontvankelijk verklaard omdat verzoeker gelijktijdig de verwijderingsmaatregel waaraan hij was onderworpen (overdrachtsbesluit met beslissing tot terugleiding naar de grens) aangevochten had via UDN.

Als er dus geen andere verwijderingsmaatregel is die imminent is geworden (omdat verzoeker in administratieve detentie zit), lijkt het dus niet mogelijk om tot een snelle schorsing te komen van de verlenging van de overdrachtstermijn.

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen