RvV: artikel 3 EVRM heeft absoluut karakter en geldt ook bij terrorismezaken
In het kort
Als de vreemdeling ernstige elementen aanvoert waaruit je kan afleiden dat hij in het land waarnaar hij wordt uitgewezen, dreigt te worden onderworpen aan foltering of onmenselijke of vernederende behandeling zoals verboden door artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), moet de DVZ deze elementen zorgvuldig onderzoeken. Voor de uitwijzingsbeslissing moet de DVZ nagaan of de repatriëring wel verenigbaar is met voormelde verdragsbepaling. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) oordeelde in arresten van 22-8-2025, nr. 331.518 en 11-9-2025, nr. 332.739 dat de repatriëring, ook wanneer de vreemdeling in het verleden werd veroordeeld wegens terrorisme, slechts mogelijk zou zijn als uit nieuwe elementen zou blijken dat de persoon bij terugkeer geen risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Uit de beslissingen van DVZ bleek niet dat zulke elementen afdoende onderzocht waren. De RvV stelde een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel vast. De Kamer van Inbeschuldigingstelling (KI) weerhield de schending van de motiveringsplicht en beval in een beschikking van 9-9-2025 de vrijlating. Het Hof van Cassatie bevestigde de uitspraak van de KI op 22-10-2025.
Eerder verblijf in België, herhaaldelijke veroordelingen, uitlevering
Een Tunesische man verbleef tussen 2001 en 2013 in België. In die periode werd hij herhaaldelijk veroordeeld voor verschillende feiten, waaronder het voorbereiden van een aanslag. De man heeft zijn gevangenisstraf in België volledig uitgezeten. In 2013 werd hij uitgeleverd aan de VS. Daar werd hij vastgehouden en vervolgd voor het voorbereiden van een aanslag. Hij werd vrijgesproken in juli 2023. Op 8 augustus 2025 werd hij overgebracht naar België, ingevolge de arresten van het Hof van Beroep van Brussel van 12 september 2022 en 30 januari 2025 die de Belgische overheid oplegden om een laissez-passer af te leveren. Het vonnis van de Amerikaanse rechter verbood terugkeer naar Tunesië omwille van het risico op foltering. DVZ probeert de man uit te wijzen en nam meerdere bevelen om het grondgebied te verlaten met vasthouding en beslissing tot terugleiding naar de grens.
Eerste BGV met vasthouding en inreisverbod
Op 8 augustus 2025 nam de minister van Asiel en Migratie een beslissing tot bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering (bijlage 13septies) en de beslissing tot het opleggen van een inreisverbod van 35 jaar (bijlage 13sexies). De man diende een beroep (in uiterst dringende noodzakelijkheid) in tegen deze beslissingen.
De bestreden beslissing werd om verschillende redenen genomen. Hij zou nog altijd een gevaar vormen voor de openbare orde en nationale veiligheid. Een adequate behandeling van zijn medische aandoeningen zou ook mogelijk zijn in Tunesië. Het blijkt niet dat zijn veroordeling in Tunesië nog steeds geldt. Meerdere personen die veroordeeld werden wegens terrorisme zijn al naar Tunesië teruggekeerd. De man gaf daarenboven aan terug te willen keren indien hij niet gearresteerd of gefolterd zou worden. Uit rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch zou geen risico blijken voor personen die gekend zijn wegens terrorisme. Evenmin zou louter het risico op verhoor door de autoriteiten bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM uitmaken. De man staat tevens SIS-gesignaleerd door Frankrijk, omwille van het gevaar dat hij vormt voor de nationale veiligheid. Over gezinsleven stelde DVZ dat zijn kinderen uit een eerder huwelijk geen contact meer willen met hem en dat hij zowel in de VS als België trachtte te huwen, maar dat dit gezinsleven een terugkeer naar Tunesië niet in de weg staat, gelet op zijn lange afwezigheid in detentie.
RvV 22-8-2025: DVZ onderzocht terugkeer naar Tunesië niet zorgvuldig
Tegen het inreisverbod is geen beroep in uiterst dringende noodzakelijkheid mogelijk
Artikel 3 EVRM is een absoluut recht. Bij afgifte van een BGV moet de DVZ altijd een beoordeling maken over art. 3 EVRM en om in een BGV geen bestemmingsland aan te wijzen waar een reëel risico is op behandeling in strijd met het recht op asiel of wanneer dit afbreuk doet aan de bescherming bij verwijdering, uitzetting of uitlevering.
Er zijn geen elementen die toelaten aan te nemen dat het Tunesische vonnis dat de man veroordeelt, niet meer geldig is. Een rechterlijke uitspraak heeft geldingskracht zolang deze ingevolge verzet of hoger beroep niet werd hervormd of geen andere concrete amnestiemaatregel genomen werd. Als er wel een amnestieregeling was, toont dit niet aan dat er geen nieuwe vervolging ingesteld kan worden. Dit is evenmin het geval omdat andere personen die veroordeeld werden wegens terrorisme vrijgesteld zouden zijn door de Tunesische autoriteiten. Het feit dat de man in een brief aangaf pas te willen terugkeren naar Tunesië als hij zeker is dat hij er geen risico op foltering loopt kan niet gebruikt worden als argument om te stellen dat er geen reëel risico bestaat op schending van art. 3 EVRM.
Ook had de man in zijn gehoor verwezen naar het voormelde Amerikaanse vonnis en blijkt niet dat hij gevraagd werd of hem de mogelijkheid geboden werd om dit bij te voegen. Alleszins voegde hij het vonnis toe aan een het verzoekschrift in dit geding. Ook verwees het Hof van Beroep dd. 30 april 2025 naar dit vonnis. Het niet in rekening brengen van dit Amerikaans vonnis wijst volgens de RvV op onvoldoende zorgvuldige voorbereiding van de beslissingen. Het verwijzen in algemene termen naar verslagen van Human Rights Watch en Amnesty International volstaat niet om de bevindingen naast zich neer te leggen van de Amerikaanse rechter die een uitgebreid (deskundigen)onderzoek deed naar de specifieke situatie van de Tunesische man. De RvV stelt een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel vast en legt de schorsing op van de tenuitvoerlegging van het BGV en de beslissing tot terugleiding naar de grens.
Tweede BGV met vasthouding, inreisverbod en terugleiding naar de grens
Na de schorsing van de beslissingen van 8 augustus 2025 nam DVZ een nieuwe beslissingen tot afgifte van een BGV met vasthouding met het oog op verwijdering en tot het opleggen van een inreisverbod. Hiertegen stelde de man opnieuw beroep in. Hij argumenteerde dat onvoldoende rekening gehouden werd met het RvV-arrest van 22 augustus 2025 in de nieuwe beslissing. Hij stelde dat DVZ onvoldoende rekening had gehouden met de inhoud van de brief die hij opstelde, maar ook met de omstandigheden waarin die opgesteld werd. Ook herinnerde hij eraan dat de uitlevering aan Tunesië ook door België geweigerd was.
RvV: schending gezag van gewijsde en onderzoeksplicht in licht van art. 3 EVRM
Dat er een nieuwe beslissing genomen werd voordat er een eindarrest was in een geschil maakt geen schending uit van het gezag van gewijsde. De RvV trad de verzoeker bij waar die stelt dat onvoldoende rekening gehouden werd met het arrest van 22 augustus over de actuele geldigheid van de veroordeling. Dit houdt een schending van het gezag van gewijsde in.
Het argument dat er geen rechterlijke uitspraak nodig is om van amnestie gebruik te kunnen maken of de a posteriori motivering dat er geen signalement openstaat met het oog op uitlevering namens de Tunesische autoriteiten betekent niet dat de veroordeling niet meer zou gelden.
Ook had de Amerikaanse rechter aangegeven dat er geen bewijs is dat de Tunesische veroordeling niet geldig is, het uitgangspunt is dat dit nog steeds geldt. Verder had de Amerikaanse rechter een aantal individuele risicofactoren opgesteld die de kans op foltering vergrootte.
DVZ beschreef niet welke bepaling van de Amnestiewet van toepassing zou zijn op de Tunesische man. Het Amerikaans vonnis toont aan dat hij waarschijnlijk geen beroep zal kunnen doen op amnestie in Tunesië. Het Amerikaanse vonnis hoeft niet gevolgd te worden door de Belgische autoriteiten. Toch moeten er gewichtige elementen aangebracht worden die dateren van na dit vonnis om ervan te kunnen afwijken zoals bijvoorbeeld garanties van de Tunesische autoriteiten inzake niet-vervolging voor de oude feiten of garanties dat hij menswaardig behandeld zal worden. De DVZ bracht zulke elementen niet aan. De bewijslast kan niet bij de verzoeker gelegd worden. Het Amerikaans vonnis vormt een sterke aanwijzing voor een toekomstig reëel risico op schending van art. 3 EVRM. Het risico op een dergelijke schending is geen loutere bewering. De RvV stelde opnieuw een tekortkoming vast in de onderzoeksplicht en dus zorgvuldigheidsplicht in het licht van art. 3 EVRM en schorste de bestreden beslissingen.
Het feit dat de Amerikaanse rechter de Tunesische man niet als een politiek activist beschouwt doet geen afbreuk aan de overige bevindingen. Ongeacht of de Tunesische Amnestiewet van toepassing is of niet, ze vormt geen belemmering voor verdere vervolging. Ook het feit dat de Tunesische man bereid was contact op te nemen met de autoriteiten in Tunesië impliceert niet dat hij de terugkeer niet vreest.
KI: vrijlating wegens schending motiveringsplicht
De man wordt vastgehouden in het gesloten centrum te Merksplas sinds 8 augustus 2025. Op 14 augustus 2025 diende hij een beroep in tegen deze vasthouding. Dit beroep werd zowel door de Raadkamer als de Kamer van Inbeschuldigingstelling (KI) gegrond geacht, in navolging van het voormelde RvV-arrest van 22 augustus 2025. Op 25 augustus 2025 legde de Belgische Staat een nieuw BGV met vasthouding met oog op verwijdering en inreisverbod van 35 jaar op en bovendien werden het BGV en de beslissing tot terugleiding naar de grens van 8 augustus 2025 geschorst, niet vernietigd of ingetrokken door DVZ.
De KI trad, wat de vasthoudingsbeslissing van 8 augustus 2025, gegrond op art. 7, lid 3 Vw betreft, de RvV bij in de stelling dat de vasthoudingsbeslissing onvoldoende rekening houdt met de beschikbare informatie. In het Amerikaans vonnis werd na deskundigenonderzoek een ernstig risico op foltering bij terugkeer van de man naar Tunesië vastgesteld. Dit reëel risico werd niet weerlegd door de stellingen van de Belgische Staat:
- Uit het administratief dossier blijkt niet dat de Tunesische veroordeling niet meer geldig zou zijn.
- De Belgische Staat negeert manifest het bestaan van de Tunesische amnestiewet van 19 februari 2011.
- Evenmin blijkt uit casussen van andere personen welke behandeling de man zou ervaren in Tunesië.
- De verklaring die hij aflegde waarin hij stelt te willen terugkeren naar Tunesië als er geen risico meer zou zijn op foltering of aanhouding volstaat niet.
- De rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch tonen geen specifiek risico aan hoewel uit het Amerikaans vonnis een specifiek risico blijkt.
De KI stelde een schending van art. 2 en 3 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen en art. 62, §2 Vw vast, de vasthoudingsbeslissing is onwettig.
Vervolgens onderzocht de KI de vasthoudingsbeslissing van 25 augustus 2025 op basis van art. 7, lid 3 Vw, in het licht van het recht op een effectief beroep bij vrijheidsbeneming. Dit recht vereist dat de rechterlijke macht de vrijheidsbeneming moet kunnen stopzetten als die voortduurt en onwettig is. De vasthoudingsbeslissing van 25 augustus 2025 maakt dit niet mogelijk, aangezien ze genomen werd na het oordeel van de Raadkamer van 22 augustus 2025 waar de onwettigheid van de vasthoudingsbeslissing van 8 augustus 2025 vastgesteld werd en voordat de rechterlijke controle hierop afgesloten kon worden door een definitieve beslissing in beroep, gelet op het beroep ingesteld door de Belgische staat. De KI stelde vast dat ook de vasthouding gebaseerd op de beslissing van 25 augustus 2025 onwettig is en beval de vrijstelling van de man als er geen andere vasthoudingsgrond is.
HvC: onderzoeksgerechten beoordelen ook legaliteit verwijderingsbeslissing die ten grondslag ligt aan vasthouding
De Belgische staat stelde cassatieberoep in tegen de beschikking van de Kamer van Inbeschuldigingstelling (KI) aangezien een nieuw stuk, met name een Amerikaanse rechterlijke beslissing van 30 augustus 2024, de basis vormde hiervoor. Het Hof van Cassatie (HvC) stelt dat de onderzoeksgerechten (raadkamer en KI) moeten nagaan of de vrijheidsberovende maatregel en de beslissing tot verwijdering het legaliteitsbeginsel respecteren, zonder hierbij een opportuniteitscontrole te doen. De verwijdering kan een schending van artikel 3 EVRM tot gevolg hebben. Het KI heeft hier geoordeeld dat de vasthoudingsbeslissing van 8 augustus 2025 niet voldoende gemotiveerd was hieromtrent en heeft uiteengezet waarom dit zo was. De Belgische staat stelt enkel dat het Amerikaanse vonnis een nieuw element was en niet in het administratief dossier zat maar geeft verder geen inhoudelijke kritiek. Het HvC kan het argument om die reden niet weerhouden.
Voor het overige beweerde de staat dat er geen motiveringsplicht is inzake artikel 3 EVRM naast de verwijderingsbeslissing. Het HvC stelt echter dat wanneer een beroep behandeld wordt tegen een beslissing tot vrijheidsberoving met het oog op verwijdering, de onderzoeksgerechten ertoe gehouden zijn om niet enkel de legaliteit van de vrijheidsberoving te onderzoeken, maar ook die van de verwijderingsbeslissing die daaraan ten grondslag ligt.