Grondwettelijk Hof vernietigt en interpreteert bepalingen aanklampend terugkeerbeleid
In het kort
Op 16 juli 2026 corrigeert het Grondwettelijk Hof (arrest nr 89/2026) de wet op het aanklampend terugkeerbeleid, met betrekking tot definitie van onderduiken in de Dubin/AMMR, de toepassing van het terugkeerbeleid tijdens een recht om te blijven, en de optie van het in beslag nemen van reisdocumenten. Het Hof stelt ook prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie over de mogelijkheid van verplicht medisch onderzoek.
Algemeen
In arrest nr. 89/2026 van 16 juli 2026 vernietigt en interpreteert het Grondwettelijk Hof enkele bepalingen van de wet van 12 mei 2024 tot wijziging van de Verblijfswet en van de Opvangwet inzake het aanklampend terugkeerbeleid (BS 10 juli 2024).
In januari 2025 waren er twee verzoekschriften ingediend bij het Grondwettelijk Hof, tot gedeeltelijke vernietiging van deze wet. De verzoeken tot vernietiging hadden betrekking op de mogelijkheid van een verplicht medisch onderzoek, de definitie van ‘onderduiken’, het gebruik van minder dwingende maatregelen dan vasthouding in het kader van de terugkeer, en de toepassing van het aanklampend terugkeerbeleid in geval van een schorsend beroep.
We bespreken hieronder kort de vier bezwaren en de antwoorden van het Hof.
Verplicht medisch onderzoek
Artikel 74/23 Verblijfswet voerde de mogelijkheid in om onder dwang een medisch onderzoek te voeren in het kader van een gedwongen terugkeer. Die maatregel volgde uit de voorwaarde van een Covid-test, tijdens de pandemie, voor het uitvoeren van een terugkeer of een overdracht naar een ander land.
Het Grondwettelijk Hof onderzoekt het Unierecht en de rechtspraak van het Hof van Justitie, en stelt vast dat dit hof zich nog niet uitgesproken heeft over de mogelijkheid voor de lidstaten om aan onderdanen van een derde land tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd een verplicht medisch onderzoek op te leggen in de omstandigheden bedoeld in artikel 74/23 (B.15.2). Je kan uit de afwezigheid van enige bepaling hierover ook niet afleiden dat het Unierecht een gedwongen onderzoek zou uitsluiten, onder meer omdat het in de richtlijn 2004/38/EG over vrij verkeer wel als mogelijkheid is opgenomen (B.15.7).
Daarom stelt het Grondwettelijk Hof eerst twee prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie, namelijk of een gedwongen medisch onderzoek enerzijds een schending zou zijn van artikel 8 van de richtlijn 2008/115/EG, samen gelezen met het Handvest, of anderzijds eventueel een schending zou zijn van het Handvest op zich.
Gebrek aan medewerking is niet onderduiken
Het aanklampend terugkeerbeleid in het kader van een overdracht naar een andere lidstaat (de vroegere Dublin- en huidige AMMR-procedure) bepaalt dat een gebrek aan medewerking gezien wordt als “onderduiken". Dezelfde bepaling wordt expliciet herhaald voor als iemand niet opdaagt op gesprek of niet meewerkt met een eventueel verplicht medisch onderzoek. Het feit dat iemand onderduikt maakt dat België niet verantwoordelijk wordt om het verzoek om internationale bescherming (VIB) te behandelen, na afloop van de termijn van zes maanden.
Het Hof stelt vast dat de wetgever twee verschillende categorieën aan dezelfde sanctie onderwerpt. Enerzijds zijn er vreemdelingen met een VIB die hun verblijfplaats niet melden, en anderzijds vreemdelingen die wel hun verblijfplaats melden, maar enkel een afspraak in het kader van het aanklampend terugkeerbeleid niet nakomen. Beide situaties worden gezien als onderduiken. Het Hof ziet hierin een schending van artikel 10 en 11 van de Grondwet, met name ook omdat de term onderduiken in art 29, lid 2 van de Dublin Verordening 604/2013 door het Hof van Justitie in Jawo t. Bundesrepublik Deutschland gerechtvaardigd werd in zoverre iemand de hem toegewezen verblijfplaats heeft verlaten of zich daar niet heeft gemeld (B.26.7).
Het Hof vernietigt de bepalingen waarin het niet verschijnen op een afspraak, het niet meewerken met een verplicht medisch onderzoek of het niet meewerken met het aanklampend terugkeerbeleid gezien worden als onderduiken.
Het Hof voegt toe dat ook de nieuwe AMMR-Verordening EU) 2024/1351, die de Dublin-verordening intrekt vanaf 1 juli 2026, op dezelfde manier geïnterpreteerd moet worden. Ook in die verordening “valt het begrip « onderduiken » zoals het daarin wordt gedefinieerd, niet samen met de verplichting om actief mee te werken aan de overdracht” en beoogt artikel 2, 17), van die verordening “alleen de gevallen waarin de betrokken persoon « niet beschikbaar blijft » voor de bevoegde autoriteiten” (B.26.8).
Dat betekent dat niet alleen oud artikel 51/5, § 6, derde lid, 3° en 4° Verblijfswet gedeeltelijk niet meer van toepassing zijn, maar ook de overeenstemmende bepalingen in het nieuwe artikel 51/5/3, § 2, 3° en 4° Verblijfswet.
Niet aanbieden in opvangcentrum is niet (altijd) onderduiken
Als iemand zich niet aanbiedt in de opvang, moet hij binnen drie werkdagen een adres doorgeven aan DVZ. Als de vreemdeling dat niet doet, wordt dit gezien als onderduiken. Het Hof vernietigt deze bepaling niet, omdat ze zodanig geïnterpreteerd moet worden dat iemand ook na die periode van drie werkdagen nog steeds moet kunnen aantonen dat hij niet de intentie had zich aan de autoriteiten te onttrekken. Dit artikel moet dus in de toekomst zo geïnterpreteerd worden, dat DVZ een latere verantwoording ook in aanmerking moet nemen (B.26.5). Deze interpretatie geldt zowel voor artikel 29, lid 2, van de Dublin-verordening (EU) 604/2013, als voor artikel 46, lid 2, van de AMMR-verordening (EU) 2024/1351, en geldt dus ook voor het nieuwe artikel 51/5/3, § 2, 1° Vw, dat dezelfde bepaling herneemt.
Individuele beoordeling bij vermoedelijk ondoeltreffend alternatief
Het aanklampend beleid regelt een voorrang voor alternatieve maatregelen voor detentie. In principe moet voorafgaand aan de beslissing tot vasthouding eerst nagegaan worden of er een minder dwingend maatregel mogelijk is. DVZ mag die alternatieve maatregelen niet opleggen als die niet doeltreffend zijn. Het Hof vernietigt deze bepaling niet (B.38.3), maar artikel 74/28, § 3, derde lid, 1° tot 4° Vw somt enkele situaties op waarin vermoed wordt dat een minder dwingende maatregel niet doeltreffend zal zijn, en dat er dus tot vasthouding overgegaan kan worden. Het Hof bepaalt dat ook in die 4 situaties nog altijd individueel beoordeeld moet worden of dat vermoeden klopt. Het eenvoudig vaststellen van één van de 4 hypotheses “volstaat niet ter verantwoording van de keuze om een minder dwingende maatregel voor vasthouding uit te sluiten” (B.39.4).
In beslag nemen van documenten moet alternatief zijn
Artikel 74/28 Vw somt de mogelijke minder dwingende maatregelen op, en bevat geen optie omvat van in beslagname van reisdocumenten. Het Grondwettelijk Hof stelt vast dat de lijsten met minder dwingende maatregelen in artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2008/115/EG en artikel 28, lid 2, van de verordening (EU) 604/2013, op zich niet verplicht en ook niet limitatief zijn (B.40.2), maar de wetgever gaf geen verantwoording waarom het intrekken van ID en reisdocumenten niet als mogelijkheid wordt voorzien, en schendt daardoor wel de genoemde artikelen van die richtlijnen (B.40.6).
Het Hof vernietigt de bepaling in de zin dat ze de optie van in beslagname van paspoort of identiteitsdocument niet bevat.
Het Hof verduidelijkte wel dat de optie niet in alle gevallen overwogen moet worden; het is bijvoorbeeld niet nodig om die maatregel te bekijken in de gevallen dat er hoog risico is op onderduiken (B.40.5).
Geen verplichte medewerking bij recht om te blijven
Artikel 74/22 Vw bepaalt niet welke maatregelen van aanklampend terugkeerbeleid eventueel mogelijk zijn wanneer iemand een negatieve beslissing kreeg, maar nog beschikt over een recht op te blijven, bijvoorbeeld in het kader van een schorsend beroep.
Het Hof vernietigt de bepaling niet maar stelt dat ze niet toelaat om de vreemdelingen met een recht om te blijven te verplichten om mee te werken aan het aanklampend begeleidingstraject bedoeld in de artikelen 74/24 en 74/25 Vw, voor hun overdracht of verwijdering (B.32.1), bvb vanwege een schorsend beroep (B.32.6). DVZ mag betrokkene er ook niet toe aanzetten om de beslissing tot verwijdering of overdracht vrijwillig uit te voeren (B.32.7).