DVZ moet actief afhankelijkheidsrelatie tussen ouder en minderjarige Belg onderzoeken en rekening houden met actieve rol van ouder

In het kort

De aanvraag gezinshereniging van de vader met zijn Belgisch minderjarig kind werd niet in overweging genomen door Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) omdat er een geldig inreisverbod was, het kind heel wat tijd bij pleeggezinnen en sociale instellingen had doorgebracht en de vader gevangenisstraffen uitzat. Hoewel er contact en bezoekjes waren tijdens deze detenties, besliste de DVZ dat dit niet volstond om een bijzondere afhankelijkheidsrelatie aan te tonen op basis waarvan een verblijfsrecht geput kan worden op grond van het Unieburgerschap van het kind. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) oordeelde echter in arrest nr. 327.036 van 21-5-2025 dat DVZ een onvoldoende zorgvuldig onderzoek had gevoerd naar deze afhankelijkheidsrelatie en dat het voormelde niet zonder meer gesteld kan worden. De afhankelijkheid tussen ouder en minderjarig kind wordt immers (weerlegbaar) vermoed en de vader had altijd contact gehouden met zijn zoon, die intussen bij hem inwoont. 

DVZ neemt aanvraag gezinshereniging niet in overweging

De man was in 2003 aangekomen in België en had in 2009 een Ministerieel Besluit tot terugwijzing gekregen. Hij kreeg alsnog verblijfsrecht in 2011 als echtgenoot van een Belg en verloor dit weer, waarna in 2019 een inreisverbod van 10 jaar opgelegd werd. De man  had immers heel wat feiten - voornamelijk drugsdelicten - gepleegd en veel tijd in de gevangenis doorgebracht. In februari 2024 diende hij een nieuwe verblijfsaanvraag gezinshereniging in, als ouder van een Belgisch minderjarig kind. DVZ nam een beslissing tot niet-inoverwegingneming, omwille van het geldig inreisverbod, de verschillende strafrechtelijke antecedenten en de beperkte tijd die de vader en 17-jarige zoon slechts samengewoond hadden. Bovendien had de zoon meermaals bij verschillende pleeggezinnen en in sociale instellingen verbleven en werd hij nog steeds ondersteund door heel wat instanties. 

De RvV stelt vast dat de niet-inoverwegingneming niet gebaseerd was op redenen van openbare orde, maar wel op het feit dat er een nog geldig inreisverbod was ten aanzien van de vader. In zulk geval is dat mogelijk als er geen zodanig bijzondere afhankelijkheid bestaat tussen vader en zoon dat de zoon de Europese Unie (EU) zou moeten verlaten om het gezinsleven met zijn vader voort te zetten. 

RvV: wederzijdse zorgvuldigheidsplicht

De RvV erkent dat de bewijslast in principe ligt bij de aanvrager. Maar, de DVZ heeft de plicht om alle noodzakelijke informatie te verzamelen, zodat hij met kennis van zaken kan oordelen over het bestaan van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie. De RvV voegt eraan toe dat het van belang is dat DVZ de aanvrager uitnodigt om relevante bewijzen voor te leggen, wat in dit geval niet gebeurd is.

De RvV herinnert aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waarin gesteld wordt dat de band tussen ouder en minderjarig kind slechts uitzonderlijk als verbroken beschouwd kan worden. Het feit dat ouder en kind niet samenleven of dat het kind in pleegzorg opgenomen werd, verandert dit niet.

De fysieke band tussen aanvrager en referentiepersoon werd weer opgebouwd sinds de vrijlating van de aanvrager in 2019. Voordien bezocht de zoon zijn vader regelmatig en bleef de vader betrokken bij de opvoeding.

Ze wonen sinds begin 2022 samen, wat bevestigd werd door onder andere de Jeugdrechtbank. Jeugdhulp verklaarde in 2022 dat de samenwoonst met zijn vader een gunstige impact had op de Belgische zoon, wiens moeder niet betrokken is bij de opvoeding. 

De RvV besluit dat er een onevenredig grote nadruk gelegd werd op het ontbreken van langdurige samenwoonst en de detentiegeschiedenis van de vader en dat onvoldoende rekening gehouden werd met de overige voormelde factoren. Uit de rechtspraak van het HvJ  blijkt echter dat samenwoonst slechts 1 van de relevante factoren is. De DVZ moet een alomvattende beoordeling maken van alle omstandigheden, met bijzondere aandacht voor de affectieve, emotionele en financiële afhankelijkheid van het kind jegens de ouder. Een tijdelijke onderbreking van de fysieke nabijheid van de ouder doet er geen afbreuk aan dat verzoeker tijdens zijn afwezigheid contact hield en betrokken bleef bij de opvoeding en het welzijn van zijn kind. Alternatieve zorgstructuren mogen slechts in overweging genomen worden als het kind al voor de huidige samenwoonst geen feitelijke afhankelijkheid meer had van de ouder. Een afgeleid verblijfsrecht op grond van het Unieburgerschap kan niet zonder meer worden afgewezen zonder grondige feitelijke motivering, waarbij rekening gehouden wordt met alle omstandigheden. Ook het EHRM oordeelde bovendien dat het recht op gezinsleven ertoe kan leiden dat een verblijfsrecht niet geweigerd mag worden als dit ertoe zou leiden dat de band tussen het kind en zijn ouder verbroken zou worden. Dit is des te meer het geval wanneer andere vormen van gezinsleven al ernstig verstoord zijn of wanneer de andere ouder feitelijk afwezig is.