GwH: Verblijfsvoorwaarde voor toekenning Brusselse gezinsbijslag: geen schending gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel

In het kort

Het Grondwettelijk Hof oordeelde in arrest nr. 70/2026 van 28-5-2026 dat kinderen met een attest van immatriculatie (AI) geen recht openen op de Brusselse gezinsbijslag. Ook de niet-toekenning van de gezinsbijslag aan een kind met een lopend verzoek internationale bescherming dat geen materiële hulp geniet, schendt het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel niet. Deze kinderen komen sinds het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21-5-2026 immers opnieuw in aanmerking voor OCMW-steun.

Regionalisering gezinsbijslagen

De zesde staatshervorming regionaliseerde de gezinsbijslagen. Sinds 1 januari 2019 zijn de gezinsbijslagen losgekoppeld van het professioneel statuut van de ouders en worden ze niet langer gefinancierd door socialezekerheidsbijdragen maar wel door een federale dotatie. Kinderen met een woonplaats in België die ofwel de Belgische nationaliteit bezitten, ofwel toegelaten of gemachtigd zijn om in België te verblijven of er zich te vestigen overeenkomstig de Verblijfswet openen het recht op gezinsbijslagen.

Voorwaarde: verblijfsrecht meer dan drie maanden

In Brussel wordt de verblijfsvoorwaarde verduidelijkt in art. 6 Ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag

  • ‘het buitenlands kind [heeft], voor de toepassing van artikel 4, recht op gezinsbijslag op de datum waarop het over een verblijfsvergunning beschikt’ en
  • ‘het buitenlands kind [heeft], voor de toepassing van artikel 4, recht op gezinsbijslag, op de datum van de beslissing tot erkenning van de status van staatloze, vluchteling of tot toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus'.

Het recht op gezinsbijslag ontstaat op de 1ste dag van de maand na de maand waarin het rechtgevend kind dat aan de woonplaatsvoorwaardevoldoet: 

  • een toelating of machtiging tot verblijf voor meer dan 3 maanden kreeg, of
  • erkend werd als vluchteling of subsidiaire bescherming kreeg.

Er is bijgevolg geen recht op gezinsbijslag tijdens de procedure internationale bescherming en dit ongeacht of het kind tijdens de procedure materiële hulp geniet of niet.

Recht op gezinsbijslag tijdens asielprocedure?

In het bodemgeschil, dat de aanleiding gaf tot twee prejudiciële vragen, weigerde een uitbetaler van de gezinsbijslag om gezinsbijslag toe te kennen aan een kind geboren in België uit twee ouders met een lopende asielprocedure die ervoor hadden gekozen om geen materiële hulp te ontvangen. Zowel het kind als de ouders waren in het bezit van een attest van immatriculatie (AI). 

De Franstalige arbeidsrechtbank van Brussel vertrok van het principe dat een AI beschouwd moet worden als een ‘verblijfsvergunning’ in de zin van art. 3, 1° en 4, 2° Ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag. De arbeidsrechtbank verwees hiervoor naar rechtspraak van het Hof van Cassatie. In 2019 oordeelde het Hof van Cassatie dat een AI in het kader van de (intussen opgeheven) Wet van 20 juli 1971 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag beschouwd moet worden als een verblijfsvergunning. In zijn arrest van 28 mei 2026 verduidelijkt het Grondwettelijk Hof dat de bevoegdheid betreffende de gezinsbijslagen werd overgeheveld naar de gemeenschappen en dat een volledig nieuw systeem in het leven werd geroepen waarbij het recht op gezinsbijslag volledig werd losgekoppeld van het socioprofessioneel statuut van de ouders. De rechtspraak van het Hof van Cassatie uit 2019 kan bijgevolg niet langer dienstig worden ingeroepen.

Het Grondwettelijk Hof merkt in de eerste plaats op dat uit de parlementaire voorbereidingen bij de Ordonnantie van 25 april 2019 duidelijk blijkt dat een AI niet beschouwd mag worden als een verblijfsvergunning die recht geeft op gezinsbijslag. Vervolgens stelt het Hof dat aangezien de gezinsbijslag sinds de regionalisering gefinancierd wordt door de overheid en niet langer door socialezekerheidsbijdragen, het de ordonnantiegever vrijstaat het voordeel ervan voor te behouden aan personen die, wegens hun individuele situatie, verondersteld zijn definitief of op zijn minst voor een betekenisvolle duur in België gevestigd te zijn.

Rekening houdend met het feit dat een AI niet beschouwd wordt als een verblijfsvergunning in de zin van de Ordonnantie van 25 april 2019 en dat elk niet-Belgisch kind pas aanspraak kan maken op de gezinsbijslag na een positieve beslissing (toekenning statuut erkend vluchteling of subsidiair beschermde of toelating of machtiging tot een verblijf van meer dan 3 maanden in een andere verblijfsprocedure) oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de vraag of het verschil in behandeling tussen niet-Belgische kinderen die een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend en niet-Belgische kinderen die een andere aanvraag tot toelating tot verblijf hebben ingediend bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, berust op een kennelijk verkeerde lezing van art. 6 Ordonnantie van 25 april 2019 en bijgevolg geen antwoord behoeft.

Schending gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel door alle kinderen in een asielprocedure gelijk te behandelen?

In de tweede prejudiciële vraag boog het Grondwettelijk Hof zich over de vraag of art. 6 Ordonnantie van 25 april 2019 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt door alle kinderen in een asielprocedure gelijk te behandelen, ongeacht of ze materiële hulp genieten of niet.

De gelijke behandeling van categorieën van personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, houdt een schending in van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel tenzij een redelijke verantwoording bestaat voor de gelijke behandeling. 

Gelet op de doelstelling van de Ordonnantie van 25 april 2019, nl. de toekenning van gezinsbijslag aan alle kinderen die voldoen aan de voorwaarden van woonplaats en nationaliteit of verblijfsvergunning, oordeelde het Grondwettelijk Hof dat beide categorieën van kinderen zich niet in een wezenlijk verschillende situatie bevinden. Bijgevolg moet het Grondwettelijk Hof enkel onderzoeken of de gelijke behandeling geen onevenredige gevolgen heeft voor de betrokkenen. 

In deze zaak koos de moeder van het kind ervoor om het Fedasil-netwerk te verlaten omdat de vader van het kind van het recht op materiële hulp werd uitgesloten (omwille van zijn volgend verzoek om internationale bescherming) en zij als gezin wensten samen te leven. Het Grondwettelijk Hof vestigde de aandacht op het recht van individuen om hun recht op eerbieding van het privé- en gezinsleven, gewaarborgd door art. 22 Grondwet en art. 8 EVRM, uit te oefenen teneinde rekening te houden met het hoger belang van het kind.

Aangezien ook verzoekers om internationale bescherming die geen materiële hulp genieten, recht hebben op hulp die gelijkwaardig is aan de hulp in natura die in de opvangstructuur wordt verleend wanneer hen materiële hulp wordt ontzegd of wanneer dergelijke hulp onontbeerlijk is om het recht op het privé- en gezinsleven van de verzoekers te waarborgen (wat in casu het geval is), oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de gelijke behandeling van alle kinderen in een asielprocedure, ongeacht of ze materiële hulp genieten of niet, geen onredelijke gevolgen heeft voor de betrokkenen. 

In zijn redenering verwijst het Grondwettelijk Hof naar zijn arrest nr. 66/2026 van 21 mei 2026.

Het feit dat Fedasil (opnieuw) kan overgaan tot een niet-toewijzing van een opvangplaats en de opheffing van een code 207 (opnieuw) mogelijk is waardoor de betrokkene(n) aanspraak kunnen maken op financiële steun bij het OCMW, volstaat voor het Grondwettelijk Hof om te oordelen dat de niet-toekenning van de gezinsbijslag aan kinderen in een asielprocedure, ongeacht of ze materiële hulp genieten of niet, verenigbaar is met de artikelen 10 en 11 Grondwet.

Bedenking

De vraag rijst of de mogelijkheid tot opheffing van de code 207 en de daaropvolgende mogelijkheid om financiële steun te vragen bij het OCMW vandaag niet louter theoretisch is. Wanneer OCMW-steun in de praktijk ontoegankelijk is voor mensen die vrijwillig het opvangnetwerk verlaten om als gezin te kunnen samenleven, bestaat de verenigbaarheid van de Brusselse gezinsbijslagregeling met de artikelen 10 en 11 Grondwet alleen in theorie.