HvJ: intrekking of weigering vluchtelingenstatus op basis van handelingen van voor binnenkomst zegt niets over verwijderbaarheid

In het kort

Artikel 14, lid 4, a van Kwalificatierichtlijn 2011/95/EU staat toe de vluchtelingenstatus in te trekken of te weigeren, wanneer er goede redenen bestaan om de vluchteling te beschouwen als gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waarin hij zich bevindt. In arrest C‑454/23 van 17-2-2025 stelt het Hof van Justitie (HvJ) dat het intrekken of weigeren van vluchtelingenstatus gebaseerd kan zijn op handelingen of gedragingen van de vluchteling die dateren van vóór zijn binnenkomst op het grondgebied van de betrokken lidstaat. Een weigering of intrekking zegt niets over de al dan niet verwijderbaarheid (refoulement) van de persoon.

Potentieel gevaar voor veiligheid kan volstaan

De prejudiciële vraag werd gesteld in het kader van een Marokkaanse onderdaan die zijn verzoek voor internationale bescherming afgewezen zag omwille van een brief van de dienst voor terrorismebestrijding waarbij o.a. aan het licht kwam dat hij verschillende activiteiten had verricht ten behoeve van een terroristische groepering.

Het Hof verduidelijkt eerst het begrip ‘goede redenen’. Wegens zijn algemene karakter brengt deze term geen geografische of temporele beperkingen met zich mee noch beperkingen betreffende de aard van de handelingen of gedragingen. 

Het Hof benadrukt ook het verschil met artikel 14, 4 b van dezelfde richtlijn, dat toelaat om de vluchtelingenstatus in te trekken wanneer een verzoeker definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en bijgevolg een gevaar vormt voor de samenleving. Een intrekking op basis van punt a, vergt – in tegenstelling tot punt b – niet dat het gaat om een reëel en actueel gevaar, maar omvat ook een ‘potentieel gevaar’.  Aan een persoon toe te rekenen handelingen of gedragingen uit het verleden kunnen relevante omstandigheden vormen om na te gaan of de neiging bestaat die handelingen of gedragingen te herhalen, gelet op volgende criteria: 

  • de ernst van de handelingen of gedragingen 
  • de verstreken tijd sinds die handelingen of gedragingen 
  • de eventuele latere ontwikkelingen

Daarnaast blijkt uit die artikelen ook dat een veroordeling voor misdrijf geen noodzakelijke voorwaarde is voor een intrekking op basis van punt a. Ook is het niet nodig dat de gronden voor de weigering of uitsluiting van de vluchtelingenstatus onder de uitsluitingsgronden vallen van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Ten slotte verduidelijkt het Hof dat een lidstaat over een ruime beoordelingsmarge beschikt in zijn oordeel of er al dan niet sprake is van ‘goede redenen’. 

Gevaar voor veiligheid lidstaat

In de tweede plaats verduidelijkt het Hof het begrip ‘gevaar voor de veiligheid van de lidstaat’. Dit begrip komt overeen met ‘nationale veiligheid’ zoals bedoeld onder artikel 24, lid 1 van de richtlijn. Dit heeft  zowel betrekking op de interne als externe nationale veiligheid van de lidstaat en hieronder kan worden verstaan:

  • de aantasting van het functioneren van instellingen en essentiële openbare diensten, alsook het overleven van de bevolking
  • het risico van een ernstige verstoring van de externe betrekkingen of van de vreedzame co-existentie van de volkeren
  • de aantasting van militaire belangen
  • de deelname of steun aan een vereniging die steun verleent aan het internationaal terrorisme

Uitsluitingsgronden versus weigering- en intrekkingsgronden

Het Hof maakt duidelijk een onderscheid tussen  de uitsluitingsgronden in artikel 1F Vluchtelingenverdrag en de weigerings- en intrekkingsgronden in artikel 14 Kwalificatierichtlijn. 

Een weigering of intrekking op zichzelf brengt niet automatisch ook met zich dat mee dat je ook de ‘hoedanigheid’ van vluchteling verliest. De gevallen waarbij een lidstaat de vluchtelingenstatus kan intrekken of weigeren lopen gelijk met de gevallen waarin een lidstaat de vluchteling zou mogen terugleiden (refoulement). Bepaalde omstandigheden die niet de mate van ernst vertonen die refoulement van de verzoeker rechtvaardigt, kunnen mogelijk wel beschouwd worden als goede redenen om een verblijfstitel te weigeren op basis van artikel 14 Kwalificatierichtlijn. Een weigering of intrekking zegt dus niets over de al dan niet verwijderbaarheid van de persoon. 

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen