M-status: geen verwachting van zelfde mate van zelfredzaamheid voor minderjarige als voor volwassene
In het kort
In arrest 349.094 van 25-6-2026 gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) uitgebreid in op de situatie van niet-begeleide, minderjarige vreemdelingen (NBMV) met de vluchtelingenstatus in Griekenland. Van een minderjarige kan niet dezelfde inspanning worden gevraagd als van een volwassene wat betreft de mogelijkheid om in zijn levensonderhoud te voorzien, zijn levensomstandigheden in Griekenland te verbeteren en er een bestaan uit te bouwen. Er mag van hen niet worden verwacht dat zij zelfstandig zijn in de mate dat ze doorgedreven pogingen ondernemen om werk en onderdak te zoeken of de taal te leren.
Situatie NBMV erkend als vluchteling in Griekenland
De RvV hield rekening met de algemene landeninformatie, de ervaringen van verzoeker zelf in Griekenland, en zijn bijzondere kwetsbaarheid.
De algemene landeninformatie
De raad wijst dat Griekenland personen niet meer als 'kwestbaar' beschouwt van zodra zij erkend zijn als vluchteling.
Verzoeker is een 16-jarige NBMV met een nog geldige Adet (Griekse verblijfsvergunning).
De verzoeker heeft een geldig Adet en hij zou dus een geldige AMKA (sociale zekerheidsnummer) moeten kunnen krijgen als NBMV. Toch betekent dit niet dat hij zich kan beroepen op de rechten en voordelen die voortvloeien uit deze status. Hoewel er voorzieningen zouden zijn voor minderjarigen, blijkt uit landeninformatie dat deze op veel vlakken tekortschieten.
- Het systeem van voogdijschap is recent opgericht en staat voor vele uitdagingen.
- Bij het aantal opvangvoorzieningen voor NBMV is er een voortdurende divergentie tussen het aantal beschikbare plaatsen en de plaatsen die effectief worden gebruikt. Bovendien vormt de financiering van de opvangvoorziening een groot probleem. Ook zou de plaatsing in pleeggezinnen zeer moeilijk verlopen.
- Ondanks de leerplicht is de toegang tot onderwijs niet gegarandeerd. Problemen stellen zich met name voor kinderen die op eilanden of in opvangcentra in afgelegen gebieden verblijven. Taalklassen starten niet altijd, onder andere door een tekort aan personeel. Als gevolg hiervan kunnen kinderen de Griekse taal niet leren en worden zij in de praktijk uitgesloten van het onderwijssysteem.
Ervaringen van verzoeker in Griekenland
Verzoeker kwam aan in Lesbos en verbleef er in een zogenaamde ‘safe zone’ voor NBMV. De raad merkt op dat de levensomstandigheden in deze safe-zone schrijnend zijn en verwijst hiervoor naar de toekenning van voorlopige maatregelen door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in een zaak van 45 NBMV die in de facto detentieomstandigheden verbleven in de safe zone in Samos.
De ondersteuning van de voogd die hem werd toegewezen was zeer beperkt zowel tijdens de procedure als na de erkenning.
Ondanks de leerplicht kon verzoeker maar na enkele maanden naar school gaan. Ook blijkt niet dat de voogd de verzoeker aanmoedigde om naar school te gaan.
Het loutere feit dat verzoeker een sociale woning werd toegewezen en onder het toezicht stond van een volwassene die hem financieel bijstond, zijn niet voldoende om aan te nemen dat het hoger belang van het kind in acht werd genomen. Voor het overige werd hij immers aan zijn lot overgelaten.
Bijzondere kwetsbaarheid van verzoeker
De raad benadrukt dat de minderjarigheid van verzoeker een bijzondere kwetsbaarheid inhoudt en dat het hoger belang van het kind een doorslaggevende overweging is die het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) moet leiden tijdens het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming.
Daarnaast houdt de raad ook rekening met verzoekers psychologische kwetsbaarheid en de ernstige psychologische problemen waarmee hij kampt. Verzoeker doet aan automutilatie en vertoont signalen van psychosociale overbelasting en risicogedrag.
Geen verwachting dat minderjarige zich kan beroepen op rechten en voordelen
Het CGVS verwijst onrechtstreeks naar de mogelijkheden voor statushouders om in hun levensonderhoud te voorzien door arbeid in de informele economie. De relevantie hiervan voor een minderjarige is niet aangetoond. Bovendien lijkt het CGVS te impliceren dat er aan een NBMV zou kunnen worden gevraagd om deel te nemen aan de informele economie en zich daarmee bloot te stellen aan strafrechtelijke vervolging. Dit stemt op geen enkele manier overeen met het recht van het kind onder artikel 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
De raad kan het CGVS ook niet bijtreden in zijn stelling dat verzoeker voldoende zelfredzaam is ‘om zich te behelpen’. Verzoekers minderjarigheid en zijn inherente verminderde mogelijkheid om zijn rechten zelfstandig uit te oefenen, vergroot namelijk de nood aan begeleiding en ondersteuning.
De raad gaat ook niet akkoord met de motivatie dat verzoeker onvoldoende pogingen zou hebben ondernomen om zijn rechten in Griekenland te benutten. Van een minderjarige kan immers niet dezelfde inspanning verwacht worden als van een volwassene.
Op basis van alle bovenstaande elementen, het feit dat verzoeker familie heeft in België en geen netwerk heeft in Griekenland, oordeelt de raad dat het belang van het kind niet is vooropgesteld in de beslissing van het CGVS.
Aangezien niet voldoende elementen voorliggen met betrekking tot het herkomstland van de verzoeker (Afghanistan) wordt de beslissing vernietigd en teruggestuurd naar het CGVS.