Rb Brussel: plaats op evacuatielijst Gaza noodzakelijk voor feitelijk uitoefenen recht op gezinshereniging
In het kort
De Rechtbank van Eerste Aanleg Brussel (Franstalig) oordeelde op 25-7-2025 dat België een Palestijns gezin uit Gaza op de evacuatielijst moet plaatsen om hun recht op gezinshereniging met een erkend vluchteling in België te waarborgen. Het gezin kreeg in april 2024 Belgische visa, deels op basis van gezinshereniging en deels om humanitaire redenen. Om deze visa op te halen is een veilige uitreis via Israël en Jordanië of Egypte noodzakelijk. Daarvoor is opname op de Belgische evacuatielijst nodig. België weigerde dat sinds april 2025, toen werd beslist enkel een ‘vaste lijst’ te behouden. De rechtbank benadrukt dat evacuatie een essentieel onderdeel vormt van het recht op gezinshereniging onder Unierecht en het EU-Handvest, én dat ook de toegekende humanitaire visa in deze context onder dat recht vallen.
'Vaste' evacuatielijst
Personen in Gaza die een Belgisch visum toegekend krijgen, moeten dit visum ophalen in het Consulaat-generaal van België in Jeruzalem. Om de Gazastrook te kunnen verlaten en naar Jeruzalem te reizen, is er echter toestemming van Israël en Egypte of Jordanië nodig. Deze toestemming wordt enkel gegeven voor personen op voorstel door andere Staten. België houdt hiervoor een evacuatielijst bij. Naast Belgen, door België erkende vluchtelingen en staatlozen en Unieburgers die niet worden vertegenwoordigd door hun eigen lidstaat, worden enkel hun partners en minderjarige kinderen op de lijst gezet. Daarnaast kan er geval per geval beslist worden om meerderjarige kinderen ten laste en de ouders en minderjarige broers en zussen van een niet-begeleide minderjarige in België erkend als vluchteling op de lijst te zetten. In april 2025 werd echter besloten niemand meer aan de lijst toe te voegen en zich te focussen op de ‘vaste lijst’ tot er een nieuwe beslissing van de regering komt.
De huidige zaak betreft het gezin van een door België erkend vluchtelinge van Palestijnse origine. Zij werd als niet-begeleide minderjarige erkend als vluchteling in België. Het gezin, de ouders en de andere (zowel minder- als meerderjarige) kinderen, bevindt zich nog in Gaza en kreeg in april 2024 Belgische visa toegekend. Het crisiscentrum weigerde hen echter op de evacuatielijst te plaatsen, omdat enkel partners en minderjarige kinderen met een Belgisch visum of verblijfstitel in aanmerking komen. Na een ingebrekestelling van de FOD Buitenlandse Zaken, die bleef weigeren hun op de evacuatielijst te plaatsen, diende het gezin beroep in bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel.
Unierecht van toepassing, ook op de humanitaire visa
De verzoekers beriepen zich op het Unierecht, inclusief de rechtspraak van het Hof van Justitie. De ouders kregen een visum gezinshereniging, terwijl aan de broers en zussen van de erkende vluchtelinge humanitaire visa (Artikel 9 Vw) werden toegekend. Voor deze laatste bestaat er namelijk geen recht op gezinshereniging. Omdat humanitaire visa niet worden geregeld door het Unierecht, in tegenstelling tot visa gezinshereniging die een omzetting zijn van de gezinsherenigingsrichtlijn, rees eerst de vraag of het unierecht wel van toepassing was op deze humanitaire visa. Een situatie valt namelijk slechts onder het Unierecht wanneer overheidsinstanties nationale wetgeving tot omzetting van een richtlijn aannemen en toepassen.
De rechtbank oordeelde dat het Unierecht inderdaad van toepassing is voor het hele gezin. De humanitaire visa werden samen met de visa gezinshereniging toegekend, waarop het Unierecht van toepassing is. Daarbij werd er expliciet vermeld door DVZ dat het om een ‘uitgebreide gezinshereniging’ ging. Deze ‘uitgebreide gezinshereniging’ was noodzakelijk om de gezinshereniging tussen de minderjarige erkend vluchtelinge en haar ouders te faciliteren en het nuttig effect van dit recht niet te ontnemen. Door visa te verlenen op basis van 'uitgebreide gezinshereniging', plaatste de Belgische staat zowel minderjarige kinderen als volwassen kinderen op gelijke voet met hun ouders. Daarom vallen alle toegekende visa in dit geval onder het recht op gezinshereniging en de Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86 /EG.
De Belgische staat is gehouden om het Unierecht en de fundamentele rechten van de mens erkend in het Handvest van de grondrechten van de EU te respecteren, inclusief subjectieve rechten zoals recht op leven, fysieke en mentale integriteit en het recht op familieleven. Dit voor zowel de visa gezinshereniging als de humanitaire.
Daarbovenop oordeelde de rechtbank dat het niet vereist is dat de persoon door wie er een recht op een visum gezinshereniging ontstond, deel uitmaakt van de procedure. De Belgische Staat had opgeworpen dat het beroep enkel was ingesteld in naam van de familieleden van de door België erkend vluchtelinge, waardoor de rechten van het Handvest niet van toepassing zouden zijn. Maar het Handvest vereist niet dat de referentiepersoon deel zou uitmaken van de procedure opdat de subjectieve rechten zouden kunnen worden ingeroepen.
Evacuatie als noodzakelijk onderdeel van gezinshereniging
De rechtbank stelde vast dat het gezin geen consulaire bijstand vroeg, maar dat België moet meewerken aan de feitelijke uitoefening van het recht op gezinshereniging. De visa, die werden afgeleverd op basis van artikel 5.2 van de Richtlijn Gezinshereniging, moeten worden opgehaald in de ambassade te Jerusalem. Sinds 7 oktober 2023 is dit onmogelijk, omdat personen Gaza enkel kunnen verlaten met de autorisatie van de Israëlische en de Egyptische/Jordaanse overheden. Die autorisatie komt er enkel voor personen die worden (voorgedragen) door andere Staten.
De opname op de Belgische evacuatielijst is daarom een noodzakelijke stap om de toegekende visa effect te geven. De weigering om het gezin te registreren ontneemt het recht op gezinshereniging voorzien in artikel 5.2 van de Richtlijn zijn nuttig effect en schendt bovendien de artikelen 2, lid 1, 3, lid 1, en 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.