RvS: RvV mag nieuw asielmotief niet beoordelen zonder voorgaand onderzoek door CGVS
In het kort
De Raad van State (RvS) vernietigt in arrest 265. 139 van 10-12-2025 een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV). De verzoeker om internationale bescherming (VIB) vermeldde zijn seksuele oriëntatie volgens de RvS pas in het kader van de beroepsprocedure voor de RvV. De RvV had naar aanleiding van deze ‘geheel nieuwe vervolgingsgrond’ het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) om nader onderzoek moeten vragen. Dit doet vragen rijzen over de soevereine ex-nunc beoordelings- en hervormingsbevoegdheid van de RvV. In dit geval had de VIB elementen in verband met een mogelijke homoseksuele geaardheid aangebracht in het persoonlijk onderhoud bij het CGVS, het verzoekschrift en de aanvullende nota bij de procedure voor de RvV.
Seksuele oriëntatie van verzoeker als nieuw motief
Het CGVS is van mening de seksuele geaardheid van verzoeker een ‘totaal nieuw asielmotief’ is dat het CGVS niet eerder had kunnen onderzoeken en beoordelen. De RvV wijst er echter op dat de seksuele oriëntatie noch als feitelijk element, noch als asielmotief een geheel nieuw element betrof.
- Het CGVS zou hebben nagelaten dit element te onderzoeker in het kader van haar onderzoeksbevoegdheid. Zo zou verzoeker tijdens het persoonlijk onderhoud – toen hij nog minderjarig was – verteld hebben over een ‘probleem’ waardoor andere jongens in het opvangcentrum zeiden dat hij homo was, en verklaarde hij dat ‘zoiets’ niet toegelaten wordt in zijn religie en in zijn regio.
- De VIB was minderjarig op moment van het persoonlijk onderhoud, en durfde niet ondubbelzinnig en vrij te spreken over zijn geaardheid of vermeende relatie.
Essentiële rol van CGVS als beslissingsautoriteit
Het CGVS stelt dat de RvV niet de onderzoeksbevoegdheid had om het nieuwe aangebrachte element zelf te beoordelen. Door zelf een beslissing tot erkenning te nemen, gaat de RvV in tegen de essentiële rol van het CGVS zoals die volgt uit de Procedurerichtlijn 2013/32. Het verwijst daarvoor ook naar het HvJ-arrest Ahmedbekova. Verweerder is echter van mening dat uit dit arrest geen verplichting volgt voor de RvV om in elk geval waarbij nieuwe elementen worden voorgelegd in de beroepsprocedure een bijkomend onderzoek te vragen aan het CGVS.
De RvS volgt het CGVS en stelt dat de RvV maar kan oordelen over gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan vóór de weigeringsbeslissing van het CGVS en pas worden aangehaald in beroep, na een verzoek aan de beslissingsautoriteit (het CGVS) om dit te onderzoeken. Aangezien verzoeker al een homoseksuele relatie had, vóór de bestreden beslissing, en hij zijn homoseksualiteit voor het eerst heeft aangevoerd bij de RvV werd de ‘essentiële fase van de behandeling van het verzoek’ door het CGVS omzeild.
Bij een essentieel feitelijk gegeven dat voor het eerst aangevoerd is in de beroepsfase voor de RvV moet het CGVS eerst verzocht worden dat gegeven nader te onderzoeken alvorens het verzoek te beoordelen wanneer:
- het gegeven dateert van vóór de aanvankelijk bestreden beslissing
- de VIB zelf van dat gegeven op de hoogte was vóór de aanvankelijk bestreden beslissing beslissing.
De RvV mag immers niet op die manier een essentiële fase van de behandeling van het verzoek door de beslissingsautoriteit (CGVS) omzeilen. De RvS vernietigt het arrest en stuurt het terug naar een anders samengestelde kamer van de RvV.
Kritische bedenkingen
Reikwijdte ex nunc bevoegdheid RvV
De volle rechtsmacht van de RvV en dus haar bevoegdheid om beslissingen te hervormen volgt uit artikel 39/2 van de Vreemdelingenwet (Vw). In het kader van haar ex-nunc-onderzoek (hier en nu)houdt zij rekening met alle relevante feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan tot het einde van de onderzoeksfase (sluiting van de debatten). Zij beschikt zelf niet over een onderzoeksbevoegdheid zoals het CGVS en kan dus alleen oordelen op basis van de elementen aanwezig in het dossier.
Artikel 39/76 Vw specifieert dat de RvV het CGVS moet vragen om een onderzoek van de nieuwe elementen bij de cumulatieve vaststelling dat:
- nieuwe elementen ter kennis worden gebracht die de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor de erkenning als vluchteling of subsidiaire bescherming
- de RvV de beslissing moet vernietigen omdat ze niet kan komen tot een bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen van deze elementen.
De vraag rijst hier naar hoe ver het ‘niet kunnen komen tot een bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen’ gaat. Hoe ver reikt de soevereiniteit’ van de RvV in volle rechtsmacht?
HvJ over ex nunc onderzoek door asielrechter
De Raad van State verwijst in zijn arrest naar het arrest Ahmedbekova (tweede kamer) in verband met de draagwijdte van het ex-nunc-onderzoek door de RvV. Deze bevoegdheid van de RvV betekent niet dat de VIB het voorwerp van zijn verzoek, en de afbakening van het concrete geval, kan wijzigen door tijdens de beroepsprocedure een grond voor internationale bescherming aan te voeren die voor het CGVS was verzwegen. De behandeling door het CGVS is een essentiële fase en het recht van de VIB op een volledig onderzoek hier en nu voor een rechterlijke instantie kan niet zo worden uitgelegd dat de verplichting om met het CGVS samen te werken erdoor wordt afzwakt.
In dit geval is er volgens ons echter geen sprake van een volledig nieuwe vervolgingsgrond. VIB baseerde zijn verzoek onder andere op een ‘medische probleem’ en het feit dat hij gezien wordt als homoseksueel. Dit verklaarde hij al in het persoonlijk onderhoud voor het CGVS. In het verzoekschrift voor de RvV stelde verzoeker dat hij in het opvangcentrum het slachtoffer werd van pesterijen omdat zijn medebewoners hem aanzien als ‘homo’. In de aanvullende nota voor de RvV voert hij dan zelf uiteindelijk ook aan dat hij homoseksueel is en brengt hij bewijzen naar voor van zijn homoseksuele relatie. Je kan bezwaarlijk stellen dat hij deze informatie bewust zou hebben verzwegen of niet zou hebben aangevoerd bij het CGVS.
Bovendien gaf het HvJ in het principe-arrest Alheto van 25 juli 2018 (grote kamer) een minder terughoudende invulling aan het daadwerkelijke rechtsmiddel in asielzaken. Ook in het recentere arrest CV van 4 oktober 2024 (grote kamer)lezen we een ruimere invulling van het effectief beroep in volle rechtsmacht.
HvJ over schroom bij uiteenzetten vluchtmotieven
Verweerder geeft aan dat verzoeker minderjarig was. Hij kon en durfde toen niet ondubbelzinnig en vrij spreken over zijn geaardheid of relatie op het moment van zijn asielaanvraag.
Lidstaten kunnen van de verzoeker verlangen dat hij gegevens ter staving van het VIB ‘zo spoedig mogelijk’ indient. Maar, het Hof van Justitie heeft dit genuanceerd bij schroom wanneer iemands vluchtmotieven verband houden met seksuele geaardheid. Zo oordeelde ze dat er uit het enkele feit ‘dat deze persoon wegens zijn terughoudendheid bij het onthullen van intieme aspecten van zijn leven, niet meteen verklaard heeft homoseksueel te zijn’, niet de conclusie getrokken worden dat hij niet geloofwaardig is. Hoewel de geloofwaardigheid van verzoeker hier niet de hoofdzaak is, speelt dit wel degelijk een rol daar waar het CGVS stelt dat de RvV de verplichting tot samenwerking met de beslissingsautoriteit heeft afgezwakt.