Hervorming asielprocedure op het grondgebied
In het kort
De Asielprocedureverordening(hierna: APR) hervormt de asielprocedure in de Europese Unie en is vanaf 12-6-2026 rechtstreeks van toepassing in alle lidstaten. De verordening beoogt een volledig geharmoniseerde en rechtstreeks toepasselijke procedure in de EU. In dit nieuwsbericht bespreken we de belangrijkste wijzigingen voor de asielprocedures op het grondgebied. Een van de gevolgen is dat verzoekers om internationale bescherming (VIB) aan strengere verplichtingen moeten voldoen. Ook komt de bewijslast meer bij de VIB te liggen.
Zie ook ons artikel over de Hervorming asielprocedure aan de grens.
Enkele algemene wijzigingen
Duidelijk onderscheid tussen doen, registreren en indienen
Een eerste belangrijke wijziging betreft de toegang tot de procedure. APR structureert het registratieproces van een verzoek nu in drie opeenvolgende fasen:
- het doen van een verzoek,
- de registratie ervan en
- de indiening van het verzoek
Deze opdeling verduidelijkt het moment waarop rechten en verplichtingen ontstaan en wanneer de formele behandeling aanvangt. Derdelanders ‘doen’ een verzoek van zodra zij bij de bevoegde autoriteit de wens uiten om internationale bescherming te ontvangen. De Belgische wetgever kiest ervoor om artikel 50 paragrafen 2 – 5, Vreemdelingenwet op te heffen. Dit betekent dat voor alle verzoekers om internationale bescherming de bepalingen van APR van toepassing zullen zijn.
Deze drie handelingen gebeuren in de huidige praktijk van Dienst Vreemdelingenzaken op hetzelfde moment in het registratiecentrum voor internationale bescherming. Bijgevolg lijkt er op het eerste gezicht weinig te veranderen voor de Belgische context. Het is wel nog onduidelijk of de DVZ zal blijven afgeven, of er een nieuw document aankomt. APR verplicht lidstaten namelijk om na de indiening van het verzoek zo spoedig mogelijk een document af te geven dat moet voldoen aan verschillende voorwaarden. De Belgische wetgever voegt hiervoor een nieuw artikel 50/1, §1 toe aan de Vreemdelingenwet die de DVZ de bevoegdheid geeft om dit document af te geven. De inhoud van dit document moet nog via een Koninklijk Besluit worden vastgelegd. Een aanpassing van het Verblijfsbesluit lijkt nodig.
Verzoek in eigen naam door begeleide minderjarige verdwijnt
APR geeft begeleide minderjarigen enkel de mogelijkheid om een verzoek in eigen naam in te dienen, als zij volgens nationaal recht handelingsbekwaam zijn. De Belgische wetgever grijpt dit aan door het verzoek in eigen naam te schrappen. Het verzoek dat de ouder of persoon met ouderlijk gezag doet, wordt vermoed te zijn gedaan in naam van de begeleide minderjarige. Wanneer een begeleide minderjarige een verzoek wil indienen terwijl de ouder of een andere voor hem of haar volgens het recht of de praktijk van de betrokken lidstaat verantwoordelijke volwassene op dat moment zelf geen verzoek om internationale bescherming indient, wordt het verzoek namens de begeleide minderjarige ingediend door deze ouder of andere verantwoordelijke volwassene. De minderjarige moet in dat geval aanwezig zijn bij de indiening van het verzoek. Het document dat een verzoeker krijgt als bewijs van de indiening van het verzoek heeft in dit geval ook betrekking op de begeleide minderjarige.
Minderjarige kan wel eigen asielmotieven kenbaar maken
Het CGVSkan de begeleide minderjarige apart horen en zonder aanwezigheid van een verantwoordelijke volwassene, tenzij dit niet in het belang van het kind is. Dit betekent wel dat het verzoek in naam van de minderjarige wordt onderzocht, ook indien het verzoek in de eerste plaats werd ingediend door de ouder of de persoon die het ouderlijk gezag over hem uitoefent. Een verzoek dat wordt ingediend nadat de beslissing over dat eerste verzoek definitief werd, wordt als volgend verzoek behandeld.
Legal Counseling
APR introduceert een nieuw concept genaamd ‘juridische counseling’. Hierdoor hebben verzoekers om internationale bescherming tijdens alle fasen van de procedure recht op bijstand van een juridisch adviseur.
De juridische counseling omvat het volgende:
- Uitleg en begeleiding over de procedure, inclusief je rechten en plichten.
- Hulp bij het indienen van je verzoek, met:
- Informatie over de stappen en redenen van de procedure.
- Uitleg over de voorwaarden waaraan je verzoek moet voldoen.
Ondersteuning bij juridische kwesties die tijdens de procedure opduiken, zoals het aanvechten van een afwijzing
De juridisch adviseurs kunnen werken bij de overheid, maar ook voor een niet-gouvernementele organisatie die toegelaten is om juridische counseling te doen. Lidstaten krijgen de keuze om te bepalen welke organisatie juridische counseling opneemt. In België krijgt De Dienst Vreemdelingenzaken de taak van juridische counseling toegewezen, en zal dit aanbieden tussen de registratie en indiening van het verzoek. De modaliteiten van de counseling en de voorwaarden waaraan de adviseurs moeten voldoen, worden later nog via een Koninklijk Besluit vastgelegd. De Belgische wetgever behoudt daarnaast het systeem van kosteloze rechtsbijstand tijdens de administratieve fase en tijdens de beroepsprocedure.
Persoonlijk onderhoud en geluidsopname
APR maakt een duidelijk onderscheid tussen twee soorten persoonlijk onderhoud:
Het ontvankelijkheidsonderhoud
Tijdens dit onderhoud kan de verzoeker uitleggen waarom de gronden van niet-ontvankelijkheid niet van toepassing zijn op het verzoek. Het gaat om de volgende gronden:
- eerste land van asiel
- veilig derde land
- M-status
- veilige herplaatsing van verzoeker door een internationaal strafgerecht
- Verzoeker deed verzoek meer dan 7 werkdagen na ontvangst van terugkeerbesluit.
Het inhoudelijk onderhoud
Tijdens dit onderhoud kan de verzoeker het verzoek verder onderbouwen en uitleg geven over ontbrekende documenten, tegenstrijdigheden of inconsistenties.
Aan de Belgische praktijk verandert dit onderscheid weinig. De Dienst Vreemdelingenzaken organiseert nog altijd een eerste persoonlijk onderhoud. Daarna neemt het CGVS het dossier over en organiseert het, indien nodig, een tweede persoonlijk onderhoud. De vragenlijst ‘volgend verzoek’ verdwijnt wel bij het persoonlijk onderhoud van de DVZ. Door de uitgebreidere definitie van ‘volgend verzoek’ kan de DVZ op het moment van het onderhoud nog niet altijd vaststellen of er sprake is van een volgend verzoek. De wetgever verwacht dat dit in de toekomst wel mogelijk wordt, dankzij de uitbreiding van de Eurodac-database. In de eerste maanden zal deze database evenwel nog niet alle benodigde informatie bevatten om zekerheid te bieden. Bijgevolg zal de DVZ aan de hand van gerichte vragen moeten nagaan of het over een volgend verzoek gaat.
Het CGVS krijgt meer mogelijkheden om geen persoonlijk onderhoud te organiseren. Dit is onder meer zo wanneer het CGVS een niet-ontvankelijkheidsbeslissing kan nemen voor verzoekers die reeds internationale bescherming genieten in een andere EU-lidstaat.
Het persoonlijk onderhoud bij het CGVS moet in het algemeen aan meer vereisten voldoen. Dat moet de kwaliteit van het onderhoud verbeteren. APR laat de DVZ en het CGVS ook toe om het onderhoud via videoconferentie te organiseren, als de omstandigheden dat verantwoorden. De Belgische wetgever gebruikt die mogelijkheid om de videoconferentie van het persoonlijk onderhoud bij het CGVS niet langer bij koninklijk besluit te regelen. Hiervoor is er een nieuw artikel 57/5sexies in het leven geroepen. De memorie van toelichting bij dat artikel somt op in welke uitzonderlijke situaties het CGVS een onderhoud via videoconferentie kan organiseren:
- Er is sprake van een pandemie
- De verzoeker is te kwetsbaar om te reizen
- De verzoeker bevindt zich in bewaring
- De verzoeker bevindt zich in overzeese gebieden
- De deelname op afstand van een gespecialiseerde tolk is vereist
Het CGVS moet niet apart motiveren waarom het een videoconferentie verkiest. De verzoeker kan wel schriftelijk bezwaar uiten tegen de beslissing om het onderhoud via videoconferentie te voeren. Als het CGVS deze redenen gegrond acht, nodigen ze de verzoeker later uit voor een persoonlijk onderhoud.
APR verplicht de lidstaten nu om een geluidsopname te maken van het persoonlijk onderhoud. In België zal het CGVS die opname maken. Verzoekers kunnen de opname bij het CGVS raadplegen als ze een beroep willen instellen. Is het beroep al ingediend, dan kunnen zij de opname raadplegen bij de RvV. De regels voor toegang tot de opname bij het CGVS worden nog vastgelegd in een koninklijk besluit. Voor de RvV staan die regels in artikel 2.19 van de nieuwe wet betreffende de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het CGVS moet de geluidsopname samen met de schriftelijke notities van het onderhoud opnemen in het dossier van de verzoeker. Verzoekers kunnen die schriftelijke notities nog altijd opvragen.
Omdat de geluidsopname als bewijs kan dienen in de beroepsprocedure, hoeft het CGVS de verzoeker niet langer te vragen:
- of de schriftelijke notities van het gesprek correct zijn;
- of de verzoeker nog opmerkingen of verduidelijkingen wil toevoegen.
De wetgever verduidelijkt wel dat het CGVS opmerkingen die tijdig worden overgemaakt nog steeds in rekening zal nemen bij het nemen van een beslissing.
Verplichtingen van verzoekers
APR wijzigt de verplichtingen voor verzoekers sterk tegenover de oude Procedurerichtlijn 2013/32.
Waar moet de aanvraag worden ingediend?
De verzoeker moet de aanvraag indienen in het land waar hij of zij volgens de AMMR-procedure moet verblijven.
Doorzoeken verzoeker en zijn bezittingen
De bevoegde autoriteiten mogen de verzoeker of diens bezittingen doorzoeken, maar alleen als dit nodig en naar behoren gerechtvaardigd is voor de behandeling van de aanvraag. De redenen moeten schriftelijk worden gemotiveerd en in het dossier worden opgenomen.
Uitgebreide medewerkingsplicht
De verzoeker moet meewerken door:
- Identiteitsgegevens en reisdocumenten te verstrekken
- Uit te leggen waarom hij of zij geen identiteits- of reisdocument heeft als dit zo is.
- Informatie te verstrekken over wijzigingen in woonplaats, adres, telefoonnummer of e-mailadres.
- Biometrische gegevens (zoals vingerafdrukken) te verstrekken,
- De aanvraag in te dienen volgens de juiste procedure en beschikbaar te blijven gedurende de hele procedure.
- Zo snel mogelijk alle documenten die relevant zijn voor de behandeling van de aanvraag, over te leggen.
- Als de autoriteiten besluiten een document in te houden, moeten ze direct kopieën van de originele documenten aan de verzoeker geven.
- Bij een overdracht naar een ander land, moeten de autoriteiten de documenten teruggeven aan de verzoeker op het moment van overdracht.
- Deelnemen aan het persoonlijke interview, tenzij de beslissingsautoriteit het interview niet organiseert
- In het land blijven waar hij of zij verplicht moet verblijven volgens de AMMR.
Als een gevolg van de uitgebreide verplichtingen van verzoekers, past de Belgische wetgever artikel 48/6, §1 Vw aan. De verzoeker moet vanaf nu ‘alle nodige elementen ter staving van zijn verzoek zo spoedig mogelijk aanbrengen’. De verzoeker moet vervolgens zelf aangeven ‘welke gegevens nuttig zijn voor de behandeling van zijn verzoek’.
Dit lijkt een verschuiving in te houden van het principe van de gedeelde bewijslast in het nadeel van de verzoeker. Het oude artikel 48/6, §1 Vw stelde namelijk dat ‘de met het onderzoek van het verzoek belaste instanties hebben tot taak om de relevante elementen van het verzoek om internationale bescherming in samenwerking met de verzoeker te beoordelen’. Nochtans verplicht de nieuwe Kwalificatieverordening 2024/1347 de beslissingsautoriteit (CGVS, RvV) wel om alle relevante elementen van een verzoek om internationale bescherming te beoordelen. Daarnaast legt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens duidelijk de onderzoeksplicht ook bij de beslissingsautoriteit.
Gevolgen bij niet-nakoming
Als de verzoeker bepaalde verplichtingen niet nakomt, kan de asielaanvraag automatisch worden ingetrokken (artikel 41 APR)
Daarnaast moet de APR worden gelezen in combinatie met de herziene Opvangrichtlijn 2024/1346. Volgens deze richtlijn mogen opvangvoorwaarden worden verminderd of ingetrokken als de verzoeker zijn of haar procedurele verplichtingen niet nakomt.
Types beslissingen en procedures
APR introduceert een meer gestroomlijnde beslissingslogica met verschillende soorten beslissingen:
- Beslissing over de ontvankelijkheid
- Beslissing over de gegrondheid
- Expliciete en impliciete intrekking
Naast de gewone procedure, introduceert APR drie verplichte ‘speciale procedures’:
- De versnelde behandelingsprocedure
- De asielgrensprocedure
- De procedure voor een volgend verzoek
Het type eindbeslissing en procedure heeft een sterke impact op de beroepstermijnen en het recht om te blijven bij de RvV.
Wijziging aan de behandelingstermijnen
De behandelingstermijnen voor het CGVS worden veel korter. Zo beginnen zij voor alle soorten beslissingen en procedures te lopen vanaf de indiening van het verzoek bij de DVZ, en niet langer vanaf de overdracht van het dossier naar het CGVS. Dit zijn de wijzigingen per procedure:
- Reguliere procedure ten gronde:de behandelingstermijn blijft in principe 6 maanden. Onder de APR kan het CGVS die termijn nog met maximaal 6 maanden verlengen, in plaats van 12 maanden vroeger. Zoals voordien kan het CGVS de beslissing uitstellen tot uiterlijk 21 maanden als er onzekerheid is over de situatie in het land van herkomst. In dat geval moet het die situatie om de 4 maanden opnieuw beoordelen. Stelt het CGVS de beslissing uit, dan moet het de verzoeker ook uitleggen waarom, in een taal die die persoon begrijpt of redelijkerwijs kan begrijpen. De Belgische wetgever past hiervoor artikel 57/6 aan, zodat deze termijn ook geldt voor verzoeken die vóór 12 juni 2026 zijn ingediend. Dit blijven termijnen van orde.
- Versnelde behandelingsprocedure: het CGVS moet binnen 3 maanden beslissen. De Belgische wetgever past hiervoor artikel 57/6/1 aan. De oude termijn van 15 werkdagen verdwijnt, waardoor de nieuwe APR-termijn ook geldt voor verzoeken die vóór 12 juni 2026 zijn ingediend. Als het CGVS deze termijn niet haalt, moet ze het verzoek binnen de reguliere procedure ten gronde behandelen.
- Ontvankelijkheidsprocedure: het CGVS moet in principe binnen 2 maanden beslissen over de ontvankelijkheid van een verzoek. Die termijn kan één keer met 2 maanden worden verlengd. De Belgische wetgever past hiervoor artikel 57/6 aan. Ook hier verdwijnt de oude termijn van 15 werkdagen, zodat de nieuwe APR-termijn geldt voor verzoeken die vóór 12 juni 2026 zijn ingediend. Dit blijven termijnen van orde.
Koppeling BGV aan negatieve beslissing van CGVS
Ten slotte legt de verordening sterk de nadruk op efficiëntie en snelheid, onder meer door de invoering van maximale behandelingstermijnen en de verplichting om een negatieve beslissing in beginsel te koppelen aan een terugkeerbesluit. Dit betekent dat de Dienst Vreemdelingenzaken ‘onverwijld’ een BGV moet afgeven als het CGVS een verzoek afwijst als niet-ontvankelijk, ongegrond of kennelijk ongegrond. Indien de verzoeker in beroep gaat en de vreemdeling het recht heeft om te blijven tijdens de procedure, wordt het bevel geschorst. Deze manier van werken zal van toepassing zijn op verzoeken ingediend voor en na 12 juni 2026.
Wijzigingen aan procedures en type beslissingen
Beslissingen over gegrondheid
Het CGVS behandelt een verzoek niet ten gronde als een andere EU-lidstaat verantwoordelijk is volgens de AMMR procedure, als het verzoek niet-ontvankelijk is volgens artikel 38, of als de verzoeker het verzoek expliciet of impliciet intrekt.
Indien het CGVS het verzoek wel inhoudelijk beoordeelt, onderzoekt het of de verzoeker als vluchteling kan worden erkend. Komt de verzoeker hier niet voor in aanmerking, dan toetst het CGVS of die recht heeft op subsidiaire bescherming. Stelt het CGVS vast dat de verzoeker voor geen van beide beschermingsvormen in aanmerking komt, dan wijst het het verzoek af als ongegrond. Het CGVS neemt binnen een termijn van zes maanden vanaf de indiening van het verzoek
Tot slot kan het CGVS, op basis van nationaal recht, een ongegrond verzoek als kennelijk ongegrond verklaren als op het moment van afronding één van de gevallen van de versnelde behandelingsprocedure van toepassing is.
Beslissingen over ontvankelijkheid
Naast de inhoudelijke behandeling voorziet de APR in een ontvankelijkheidsfase, waarin wordt nagegaan of een verzoek überhaupt ten gronde moet worden onderzocht.
Binnen deze procedure kan de beslissingsautoriteit:
- het verzoek ontvankelijk verklaren, waarna het wordt doorgestuurd naar de gewone procedure
- het verzoek niet-ontvankelijk verklaren, met name wanneer:
- een eerste land van asiel van toepassing is; of
- een veilig derde land van toepassing is; of
- een andere lidstaat reeds internationale bescherming verleende aan de verzoeker; of
- een internationaal strafgerecht zorgt voor veilige herplaatsing van de verzoeker, tenzij er nieuwe relevante omstandigheden zijn of juridische belemmeringen bestonden om mensenrechtenkwesties aan te voeren; of
- de verzoeker kreeg een terugkeerbesluit en diende pas na zeven werkdagen een verzoek in—terwijl de gevolgen van te late indiening bekend waren en er sindsdien geen nieuwe relevante elementen zijn opgedoken.
- In geval van een volgend verzoek zonder nieuwe elementen, moet de beslissingsautoriteit het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
Het CGVS moet het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een verzoek in principe binnen een termijn van twee maanden afronden, vanaf de indiening van het verzoek. Het CGVS mag de behandeltermijn met maximaal twee maanden verlengen als:
- er te veel verzoeken tegelijk binnenkomen, waardoor het onmogelijk is om tijdig een beslissing te nemen; of
- de zaak te ingewikkeld is omwille van feiten of juridische kwesties; of
- de verzoeker zelf de vertraging veroorzaakt door diens verplichtingen niet na te komen.
Deze termijnen zijn nog steeds termijnen van orde, waardoor het verzoek niet automatisch ontvankelijk is als het CGVS deze termijn overschrijdt.
Beslissingen in versnelde procedure
APR verplicht het CGVS om in verschillende gevallen een verzoek versneld te behandelen. Dit zijn de situaties waarin het CGVS een verzoek versneld zal behandelen in het geval van meerderjarigen:
- De verzoeker voert bij indiening alleen irrelevante zaken aan die niet helpen om te bepalen of die recht heeft op internationale bescherming.
- De verzoeker doet kennelijk ongeloofwaardige, tegenstrijdige of valse verklaringen heeft, of verklaringen die in tegenspraak zijn met betrouwbare informatie over het land van herkomst, waardoor dienst verhaal geen gewicht meer heeft.
- De verzoeker misleidt opzettelijk de autoriteiten.
- De verzoeker dient het verzoek alleen in om een verwijderingsbesluit te vertragen of te blokkeren.
- De verzoeker is afkomstig van een veilig land van herkomst
- Er zijn redelijke gronden om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde, of als de verzoeker eerder onder dwang is uitgezet om ernstige redenen van nationale veiligheid of openbare orde.
- Het verzoek is een volgend verzoek, maar geen niet-ontvankelijk verzoek;
- De verzoeker kwam het grondgebied onrechtmatig binnen of is onrechtmatig gebleven en heeft zonder goede reden niet zo spoedig mogelijk contact opgenomen met de autoriteiten of een verzoek ingediend.
- De verzoeker kwam het grondgebied legaal binnen, maar diende zonder goede reden niet zo spoedig mogelijk een verzoek in— zonder afbreuk te doen aan de eventuele behoefte aan bescherming die later ontstaat.
- De verzoeker heeft de nationaliteit van (of als staatloze gewoonlijk verblijft in) een land waar minder dan 20% van de verzoeken op Europees niveau wordt goedgekeurd, tenzij er sindsdien een belangrijke wijziging in dat land is opgetreden of de verzoeker tot een categorie behoort voor wie dit percentage niet representatief is.
De versnelde behandelingsprocedure voor niet-begeleide minderjarigen mag het CGVS alleen toepassen in de volgende gevallen:
- Als de minderjarige verzoeker afkomstig is uit een derde land dat als veilig land van herkomst wordt beschouwd volgens deze verordening.
- Als er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de minderjarige een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde, of als hij of zij eerder onder dwang is uitgezet om ernstige redenen van nationale veiligheid of openbare orde.
- Als het een volgend verzoek betreft (dat niet niet-ontvankelijk is).
- Als de minderjarige na voldoende gelegenheid te hebben gekregen om een geldige reden aan te voeren, de autoriteiten opzettelijk heeft misleid door valse informatie of documenten te verstrekken, relevante gegevens (met name over identiteit of nationaliteit) achter te houden, of als er duidelijke aanwijzingen zijn dat hij of zij een identiteitsbewijs of reisdocument heeft vernietigd om identificatie te verhinderen.
- Als de minderjarige de nationaliteit heeft van (of als staatloze gewoonlijk verblijft in) een land waar volgens de meest recente Eurostat-cijfers minder dan 20% van de asielverzoeken wordt goedgekeurd, tenzij het CGVS oordeelt dat er sindsdien een belangrijke wijziging in dat land is opgetreden of dat de verzoeker tot een categorie behoort voor wie dit percentage niet representatief is.
In een versnelde behandelingsprocedure moet het CGVS binnen een termijn van drie maanden een beslissing nemen. In dat geval kan het CGVS een verzoek kennelijk ongegrond verklaren. Als dat niet lukt binnen deze termijn, verschuift het verzoek naar de gewone procedure ten gronde. Als het CGVS vindt dat een verzoek te ingewikkeld is om in een versnelde procedure te behandelen, dan schakelt het over op de gewone behandelingsprocedure. De verzoeker krijgt hiervan bericht. De verschuiving van de versnelde naar de gewone behandelingsprocedure heeft een invloed op de behandelingstermijnen waar het CGVS zich aan moet houden, en op de beroepstermijn bij de RvV.
Eurostat publiceert jaarlijks een lijst met landen waarvan de gemiddelde erkenningsgraad minder dan 20% bedraagt over heel de Europese Unie. Hier kan je de lijst voor referentiejaar 2025 vinden.
De versnelde behandelingsgronden voor verzoeken ingediend voor 12 juni 2026 verschillen met die van APR. Voor deze oude versnelde behandelingsprocedure blijft artikel 57/6/1 Vw van toepassing.
Uitbreiding definitie ‘veilig derde land’
De toepassing van het begrip ‘veilig derde land’ breidt uit. Enerzijds breidt de definitie van wanneer een derde land als veilig beschouwd kan worden uit. Anderzijds nemen de mogelijke situaties toe voor wanneer het CGVS dit begrip kan toepassen. Daarnaast komt er een Europese lijst van derde landen die op het niveau van de EU als veilig worden beschouwd.
De definitie van veilig derde land wordt aangevuld met het begrip ‘doeltreffende bescherming’. In eerste orde moet een derde land de conventie van Geneve ondertekend hebben om als veilig te worden beschouwd. Wanneer dit niet het geval is, kan een land ook als veilig worden beschouwd als het een vorm van ‘doeltreffende bescherming’ kan aanbieden aan derdelanders. Dit fungeert als een alternatief voor bescherming onder de Conventie van Geneve. Hierdoor moet de derdelander niet meer over de mogelijkheid beschikken om de vluchtelingenstatus te verzoeken in het veilig derde land. De doeltreffende bescherming bestaat uit:
- toegang tot middelen van bestaan die toereikend zijn voor een adequate levensstandaard, rekening houdend met de algemene situatie van het ontvangende derde land,
- toegang tot gezondheidszorg en essentiële behandeling van ziekten onder de algemeen geldende voorwaarden in dat derde land,
- toegang tot basisonderwijs onder de algemeen geldende voorwaarden in dat derde land,
- doeltreffende bescherming gegarandeerd totdat er een duurzame oplossing wordt gevonden.
Het is nu ook mogelijk om bij de aanwijzing van een derde land als veilig, een uitzondering te maken voor specifieke delen van het grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen.
Daarnaast zijn er nu meer mogelijkheden voor het CGVS om een niet-ontvankelijkheidsbeslissing te nemen op basis van het veilige derde land begrip. Voor de toepassing van dit begrip is er namelijk geen band meer vereist tussen de derdelander en het veilige derde land. Dit kan nu toegepast worden in drie gevallen:
- er bestaat een band tussen de verzoeker en het betrokken derde land op grond waarvan het redelijk is dat hij of zij naar dat land gaat; of
- de verzoeker is op weg naar de Unie door het betrokken derde land gereisd; of
- er is een overeenkomst of een regeling gesloten tussen de Unie, een of meer lidstaten, of een of meer lidstaten en derde landen enerzijds en het betrokken derde land anderzijds, op grond waarvan de gegrondheid van verzoeken om doeltreffende bescherming die in het betrokken derde land worden ingediend door verzoekers die onder die overeenkomst of regeling vallen, moet worden onderzocht.
Voor niet-begeleide minderjarigen kan het veilige derde land begrip niet toegepast worden op basis van een overeenkomst of regeling. Voorlopig is zo’n overeenkomst of een regeling nog niet afgesloten met een derde land.
Europese lijst voor ‘veilig derde land’ en ‘veilig land van herkomst’
Met APR ontstaan er Europese lijsten voor de aanwijzing van derde landen als ‘veilig derde land’ of als ‘veilig land van herkomst’ op het niveau van de Unie. Lidstaten krijgen nog steeds de ruimte om op nationaal niveau andere derde landen aan te wijzen als ‘veilig derde land’ of als ‘veilig land van herkomst’.
Als er een significante wijziging is in het derde land op de Europese lijst, bevat APR een mechanisme om het derde land van de Europese lijst te schorsen of permanent te verwijderen. Als lidstaten op nationaal niveau een geschorst of verwijderd derde land willen aanwijzen als ‘veilig derde land’ of ‘veilig land van herkomst’, moeten zij dit meedelen aan de Commissie. Enkel als de Commissie geen bezwaar maakt tegen deze aanwijzing, mag een lidstaat dit doen.
Er is nog geen Europese lijst voor veilige derde landen.
Dit zijn de veilige landen van herkomst op Europees niveau:
- Bangladesh
- Colombia
- Egypte
- India
- Kosovo
- Marokko
- Tunesië
Hiernaast blijft de Belgische lijst met veilige landen van herkomst bestaan. Deze komt tot stand via een koninklijk besluit na overleg in de ministerraad.
Procedures over volgende verzoeken
Uitbreiding definitie volgend verzoek
Onder APR zullen meer verzoekers onder de definitie van ‘volgende verzoeker’ vallen:
- Het begrip ‘definitieve beslissing’ omvat nu ook een beslissing tot niet-ontvankelijkheid en een expliciete en impliciete intrekking.
- Elk later verzoek om IB dat in een lidstaat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, inclusief een expliciete of impliciete intrekking, is nu een volgend verzoek.
- Elk later verzoek dat in een lidstaat wordt ingediend nadat over een eerder verzoek van dezelfde verzoeker een definitieve beslissing is genomen, wordt beschouwd als een volgend verzoek en wordt door de verantwoordelijke lidstaat behandeld.
Dit betekent dat verzoekers die al een positieve of negatieve beslissing kregen in een andere lidstaat, in België geregistreerd zullen worden als een volgende verzoeker. Het CGVS beschikt nu ook over de mogelijkheid om voorrang te geven aan de behandeling van volgende verzoeken. Dit is nieuw tegenover de Procedurerichtlijn 2013/32.
De APR maakt geen onderscheid tussen een definitieve negatieve beslissing of een definitieve positieve beslissing in een andere lidstaat. Uit APR blijkt niet expliciet of een VIB van iemand met een M-status gezien moet worden als een ‘volgend verzoek’. Het Grondwettelijk Hof heeft hierover een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie (HvJ). Het HvJ sprak zich al eerder uit over een definitieve negatieve beslissing in een andere lidstaat. Het is dus wachten op het antwoord van het HvJ om te kunnen besluiten of een VIB na een definitieve positieve beslissing ook in aanmerking komt als een volgend verzoek.
Voorleggen van nieuwe elementen
De verzoeker moet nieuwe elementen voorleggen die:
- de kans op een positieve beslissing aanzienlijk verhogen; of
- verband houden met een eerder toegepaste grond voor niet-ontvankelijkheid als het eerdere verzoek is afgewezen als niet-ontvankelijk.
Als er nieuwe elementen naar voren zijn gekomen, behandelt het CGVS het verzoek ten gronde. Bij gebrek aan nieuwe elementen verklaart het CGVS het verzoek niet-ontvankelijk.
Geen recht om te blijven bij een tweede volgend verzoek
APR geeft lidstaten de mogelijkheid om het recht om te blijven te beperken bij een tweede of verder volgend verzoek, ongeacht in welke lidstaat de eerdere definitieve beslissing werd genomen (artikel 56 APR). De Belgische wetgever zet deze bepaling om, waardoor een maatregel tot verwijdering van het grondgebied of tot terugdrijving gedwongen kan worden uitgevoerd voor verzoekers die een tweede volgend verzoek doen.
Nieuwe regels voor intrekking verzoeken
De APR ziet een expliciete of impliciete intrekking van een verzoek nu als een definitieve beslissing. Bovendien moet het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) een verzoek automatisch intrekken in meer situaties. Dit geldt als de verzoeker:
- het verzoek niet indient na registratie, zonder geldige reden;
- weigert persoonlijke, identiteits- of biometrische gegevens te delen;
- geen verblijfadres opgeeft, tenzij de overheid huisvesting regelt;
- zonder reden een persoonlijk onderhoud verzuimt of vragen niet beantwoordt, waardoor het CGVS geen beslissing kan nemen;
- niet voldoet aan de meldingsplicht of onbereikbaar blijft voor de bevoegde autoriteiten;
- het verzoek indient in een andere EU-lidstaat dan de lidstaat die verantwoordelijk is volgens de AMMR-procedure (vroeger: dublinprocedure).
Na een impliciete intrekking kan de verzoeker niet meer vragen om de behandeling van het verzoek te hervatten. Een nieuw verzoek wordt dan als een volgend verzoek geregistreerd. Wel kan het CGVS de procedure tijdelijk opschorten om de verzoeker de kans te geven om nalatigheden of gebrek aan medewerking te herstellen voordat het een definitieve intrekkingsbeslissing neemt (artikel 41.4 APR). In de praktijk krijgen verzoekers binnen een redelijke termijn de mogelijkheid om schriftelijk mee te delen waarom ze niet aanwezig waren op het persoonlijk onderhoud, of waarom ze niet reageerden op een verzoek om inlichtingen van het CGVS.
Om de impliciete intrekkingsprocedure voor verzoeken ingediend vóór 12 juni 2026 gelijk te trekken met die van verzoeken na deze datum, voegt de Belgische wetgever een nieuw artikel 57/6/5/1 toe aan de Vreemdelingenwet. Dit artikel neemt grotendeels de logica van de APR over.
Daarnaast mag het CGVS een verzoek afwijzen als ongegrond of kennelijk ongegrond als blijkt dat de verzoeker geen recht heeft op internationale bescherming op het moment dat zij het verzoek impliciet intrekken.
Wanneer de verzoeker aanwezig is, stelt het CGVS die persoon in kennis van de procedurele gevolgen van de intrekking in een taal die hij of zij begrijpt of redelijkerwijs geacht wordt te begrijpen.
De beroepsprocedures bij de RvV voor een beslissing van het CGVS aan te vechten wijzigen. Meer informatie daarover kan je hier vinden.
Belgische implementatie en overgangsregeling
De Belgische wetgever voorziet een parallel systeem voor verzoeken ingediend vóór 12 juni 2026, en verzoeken ingediend na deze datum:
- Voor verzoeken ingediend voor 12 juni 2026 is de (aangepaste) Verblijfswet van toepassing.
- Voor verzoeken ingediend vanaf 12 juni 2026 is APR rechtstreeks van toepassing. Daarnaast past de wetgever de Verblijfswet aan met een nieuwe afdeling IIbis die specifiek betrekking heeft op de procedures onder de APR. De afdeling geeft enerzijds aan welke artikelen van de (aangepaste) Verblijfswet ook van toepassing zijn op verzoeken ingediend vanaf 12 juni 2026. Anderzijds bevat de afdeling verschillende uitvoeringsmodaliteiten gelinkt aan APR.
LET OP: de aanpassingen aan de Verblijfswet via de Pact-wet zijn enkel van toepassing na publicatie van die wet in het Belgisch staatsblad. lees hierover meer in ons overzichtsartikel.