RvV: geen algemene uitsluiting van status langdurig ingezetene voor diplomatieke, consulaire, internationale verblijvers

In het kort

Derdelanders kunnen na vijf jaar ononderbroken en wettig verblijf in aanmerking komen voor de status van langdurig ingezetene. Als ze aan alle voorwaarden voldoen, krijgen ze een verblijfskaart L. Specifieke categorieën van diplomatiek, consulair en internationaal personeel opgesomd in artikel 15bis, §1, lid 2, 6° Vw komen echter niet in aanmerking voor de status. In enkele recente arresten oordeelde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) dat de opsomming van de uitgesloten categorieën in die bepaling limitatief is. De RvV vernietigde telkens de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken omdat niet bleek uit de beslissing dat zij een status hadden die valt onder de opgesomde verdragen. In arrest 335.083 van 28-10-2025 en 324.042 van 27-3-2025 betrof het derdelanders actief bij de NAVO. In arrest 303.520 van 21-3-2024 betrof het een medewerker van Eurocontrol. 

Vw: uitgesloten bijzondere statussen beperkt tot limitatieve lijst

Artikel 15bis Vw voorziet in het statuut voor langdurig ingezeten derdelanders. Om die status te verwerven moeten zij onder meer voldoen aan een voorwaarde van vijf jaar onafgebroken en wettig verblijven voorafgaand aan de aanvraag. Er zijn ook verschillende categorieën uitgesloten. Zo sluit artikel 15bis, §1, lid 2, 6° Vw personen uit die een juridische status hebben die valt onder één van de volgende verdragen:

  • het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer;
  • het Verdrag van Wenen van 24 april 1963 inzake consulaire betrekkingen;
  • het Verdrag van New York van 8 december 1969 inzake de speciale missies; of
  • het Verdrag van Wenen van 14 maart 1975 inzake de vertegenwoordiging van staten in hun betrekkingen met internationale organisaties met een universeel karakter.

Zij kunnen de verblijfskaart L niet verkrijgen. Daarnaast gelden de periodes waarin een persoon op basis van zulke status op basis van één van de bovenstaande verdragen niet mee voor de berekening van vijf jaar ononderbroken en wettig verblijf.  

Er zijn echter verschillende categorieën diplomatiek, consulair en internationaal statussen mogelijk die volgen uit andere dan deze vier bovenvermelde verdragen. Ook zij krijgen een verblijfstitel van de Directie Protocol van FOD Buitenlandse Zaken voor de duur van hun mandaat in België. Verschillende personen met zulke bijzondere verblijfstitel vroegen een verblijfskaart L aan. De DVZ weigerde hun aanvraag echter met een verwijzing naar Artikel 15bis, §1, 6° Vw. Zij gingen tegen deze beslissing in beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

NAVO-personeel

In het arrest 335.083 van 28 oktober 2025 was verzoekster sinds 2011 een Turkse werkneemster bij SHAPE (deelorganisatie van de NAVO). De statuten van deze werknemers worden geregeld door het Verdrag betreffende de rechtspositie van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, de nationale vertegenwoordigers en het internationaal personeel van 20 september 1951, het Akkoord inzake de status van de missies en vertegenwoordigers van derde Staten bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie van 14 september 1994, alsook het akkoord gesloten tussen het Koninkrijk België en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie. Zij kreeg op basis van deze verdragen en akkoorden in de hoedanigheid van werkneemster binnen SHAPE altijd een bijzondere verblijfstitel P toegekend. Toen zij na meer dan tien jaar ononderbroken wettig verblijf een L-kaart vroeg, werd dit geweigerd door de DVZ met een verwijzing naar artikel 15bis, §1, lid 2, 6° Vw.

De RvV oordeelde dat die bepaling maar zes gevallen van uitsluiting voorziet en dat deze NAVO-verdragen en akkoorden er niet in voor komen. Volgens de Raad zijn de tekst van dit artikel en de Richtlijn waarop zij is gebaseerd duidelijk en gaat het om een limitatieve lijst. De Raad besloot daarom dat wanneer de DVZ een verblijfskaart L weigert met een loutere verwijzing naar artikel 15bis, §1, lid 2, 6° Vw. de motivatieplicht schendt wanneer die persoon niet tewerkgesteld wordt op basis van de in dat artikel opgesomde verdragen. 

De Raad maakte dezelfde beoordeling eerder dit jaar in een arrest van 27 maart 2025. Het betrof een Amerikaans gezin waarvan de vader tewerkgesteld was bij de NAVO. Op basis daarvan werd aan het hele gezin een bijzondere verblijfstitel toegekend. Zij vroegen na meer dan vijf jaar de status van langdurig ingezetene aan, die werd geweigerd door de DVZ. Volgens de DVZ wordt de periode waarin zij deze bijzondere verblijfstitel hadden, met name de duur van hun volledig verblijf in België, niet in aanmerking genomen voor de berekening van de vijf jaar ononderbroken wettig verblijf. 

Volgens de Raad bleek uit de motivering niet waarom een bijzondere verblijfstitel noodzakelijkerwijze zou leiden tot een uitsluiting onder artikel 15bis, §1, lid 2, 6° Vw. Niets wijst er namelijk op dat verzoekers over dergelijk statuut beschikken en de motivering toont dit ook niet aan. Bovendien werden zij nooit verzocht om bijkomende inlichtingen hierover, wat de zorgvuldigheidsplicht schendt. De Raad oordeelde daarom dat de beslissing de motiveringsplicht schendt en vernietigde de beslissing. 

Werknemers van andere internationale organisaties

In een arrest 324.042 van 27 maart 2024 was verzoeker een Oekraïense onderdaan die tot 2023 een bijzondere verblijfstitel had als werknemer van een internationale organisatie, waarna hij in België verbleef op basis van een gecombineerde vergunning. De verzoeker vroeg in juni 2023 de status als langdurig ingezetene aan. De DVZ weigerde deze aanvraag echter omdat de periode onder een bijzondere verblijfstitel niet in aanmerking wordt genomen op basis van artikel 15bis, §1, eerste lid, 6° Vw. Volgens de Raad kan uit deze redenering echter niet worden afgeleid waarom deze termijn werd uitgesloten, omdat een bijzondere verblijfstitel niet noodzakelijkerwijs impliceert dat die niet in aanmerking moet worden genomen onder de termijn van artikel 15bis Vw. Niets wijst erop dat verzoeker over een statuut vermeld in artikel 15bis, §1, eerste lid, 6° Vw beschikt. De Raad achtte de motiveringsverplichting daarom geschonden en vernietigde de beslissing.

Conclusie: geen algemene uitsluiting van personen met bijzonder verblijfstitel

Personen met een bijzondere verblijfstitel zijn niet automatisch uitgesloten van de status van langdurig ingezetene. Alleen deze die voortvloeien uit een van de verdragen die expliciet worden vermeld in artikel 15bis, §1, lid 2, 6° Vw. zijn uitgesloten. De DVZ kan daarom de verblijfskaart L niet weigeren met een loutere verwijzing naar dit artikel, en moet altijd individueel motiveren waarom iemand is uitgesloten. Personen met verblijf op basis van andere verdragen, niet zijn opgesomd in dat artikel, kunnen aanmerking komen voor een verblijfskaart L aanvragen en de periodes met dit verblijf worden meegeteld voor de berekening van de periode van vijf jaar onafgebroken wettig verblijf.