RvV: buitenlandse verblijfskaart kan volstaan als identiteitsbewijs bij 9ter-aanvraag

In het kort

Een buitenlandse verblijfskaart kan volstaan als identiteitsdocument bij een medische regularisatie-aanvraag, zolang Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) geen gefundeerde twijfel aantoont over de authenticiteit of totstandkoming ervan. Verzoekers hoeven niet systematisch bijkomende bewijsstukken in te dienen die aantonen dat de buitenlandse verblijfskaart niet alleen op basis van eigen verklaringen is opgesteld. Wanneer DVZ vermoedt dat een document werd opgemaakt louter op basis van eigen verklaringen, moet hij de elementen die dit staven zorgvuldig toelichten. Zo oordeelde de Raad voor vreemdelingenbetwistingen in arrest 319.711 van 9-1- 2025.

Bij een verzoek tot medische regularisatie moet de identiteit worden aangetoond door middel van een identiteitsdocument of een ander bewijselement dat niet is opgesteld op basis van loutere verklaringen van de betrokkene. (Artikel 9ter, §2 Vw) De verzoeker, met de Pakistaanse nationaliteit en subsidiaire bescherming in Italië, had bij zijn aanvraag alleen zijn Italiaanse verblijfskaart toegevoegd als identiteitsbewijs. DVZ oordeelde dat dit niet voldoet aan voorwaarden uit artikel 9ter, §2, eerste lid Vw omdat hij niet aantoonde dat hij dit document niet op basis van loutere verklaringen had verkregen.

De Raad oordeelde dat uit de bewoordingen van artikel 9ter, § 2, eerste lid Vw niet volgt dat verzoekers altijd bijkomende bewijsstukken moeten aanbrengen die aantonen dat het voorgelegde identiteitsdocument niet op basis van de eigen verklaringen is opgesteld. Wanneer DVZ van oordeel is dat er aanwijzingen zijn dat een document werd opgemaakt op basis van louter eigen verklaringen – en er dus bijkomend bewijs nodig is – moet de DZV dit zorgvuldig motiveren.

In dit geval waren er geen concrete elementen die erop duiden dat de identiteitsgegevens op de verblijfskaart een loutere weergave zijn van de verklaringen van de verzoeker. Bovendien had DVZ niet gemotiveerd op grond van welke indicaties het van oordeel was dat de gegevens gebaseerd zouden zijn op loutere verklaringen. Daarom achtte de Raad het zorgvuldigheidsbeginsel en samenhang met artikel 9ter Vw geschonden en vernietigde het de onontvankelijkheidsbeslissing van DVZ.