Rb Antwerpen: kind geboren in België uit Palestijnse ouders blijft Belg zolang niet onomstotelijk vaststaat dat het de Palestijnse nationaliteit heeft
In het kort
Kinderen die geboren worden in België en die geen nationaliteit hebben, krijgen de Belgische nationaliteit om staatloosheid te voorkomen op basis van artikel 10 van het Wetboek Belgische Nationaliteit (WBN). In verschillende dossiers van kindjes geboren in België uit Palestijnse ouders, stelt de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen dat niet met zekerheid aangetoond is dat de kinderen de Palestijnse nationaliteit hebben en dat ze dus de Belgische nationaliteit hebben.
De laatste jaren is heel wat te doen geweest rond de vraag of kinderen geboren uit Palestijnse ouders, staatloos zijn. Lees onze nieuwsberichten. Na een eerdere uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel, spreekt nu ook de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen zich uit.
ABS weigert of trekt de Belgische nationaliteit in
Het gaat in deze uitspraken van de rechtbank van Antwerpen om de volgende situaties:
- de ambtenaar van de burgerlijke stand (ABS) besliste om de Belgische nationaliteit op basis van art. 10, §1 WBN niet toe te kennen omdat het kind de Palestijnse nationaliteit zou hebben en dus wel al een nationaliteit heeft
- de ABS kende in eerste instantie de Belgische nationaliteit toe omdat het kind geen nationaliteit had, maar trok die daarna weer in ten voordele van de Palestijnse nationaliteit (art. 10, §3 WBN).
Toekenning van de Belgische nationaliteit om staatloosheid te voorkomen
Artikel 10 WBN voorziet een bescherming tegen staatloosheid voor een kind dat geboren wordt in België, en dat vóór de leeftijd van 18 jaar geen andere nationaliteit heeft. De Belgische nationaliteit wordt ingetrokken wanneer, vóór de 18e verjaardag van het kind, wordt aangetoond dat het kind een andere nationaliteit heeft.
De rechtbank in Antwerpen onderzoekt in deze dossiers of het kind dat geboren wordt in België uit ouders van Palestijnse origine, de Palestijnse nationaliteit heeft. Dat kan automatisch zo zijn op basis van wetgeving, of door een administratieve handeling van de ouders bij de Palestijnse diplomatieke of consulaire overheden in België. Enkel wanneer vaststaat dat het kind de Palestijnse nationaliteit heeft of kan krijgen door een administratieve handeling bij de diplomatieke of consulaire overheden, mag de Belgische nationaliteit ontzegd worden. En in de situatie waarin de Belgische nationaliteit in eerste instantie werd toegekend, kan die maar ingetrokken worden als onomstotelijk vaststaat dat het kind een andere, in dit geval de Palestijnse, nationaliteit heeft. Dat volgt rechtstreeks uit art. 10 WBN.
Geen Palestijnse nationaliteitswetgeving
De rechtbank volgt het openbaar ministerie in de vaststelling dat er geen Palestijnse nationaliteitswetgeving bestaat. Daarom moeten we ons baseren op een geheel aan teksten die geen eigenlijke nationaliteitswetgeving zijn, en op de info die de Palestijnse missie verstrekt.
De Palestijnse missie heeft in de laatste jaren verschillende attesten afgeleverd.
- Een eerste attest stelt dat een kind geboren uit een Palestijnse vader en moeder Palestijn is. We merken hierbij op dat dit attest niet stelt dat dit om de Palestijnse nationaliteit gaat. Noch staat op dit attest enige wettelijke basis voor de toekenning van die nationaliteit.
- Een tweede attest stelt dat een kind geboren in België uit Palestijnse ouders, niet automatisch de Palestijnse nationaliteit heeft maar deze nationaliteit kan verkrijgen door naar de bezette Palestijnse gebieden te gaan voor inschrijving in het Palestijns register van burgerlijke stand.
- Een derde attest, met daarbij een verduidelijkende nota, stelt dat een kind geboren in België uit Palestijnse ouders niet de Palestijnse nationaliteit heeft.
De kritiek van het openbaar ministerie dat deze attesten sterk veranderd zijn in de loop van de laatste jaren en dat er daardoor aan de betrouwbaarheid getwijfeld kan worden, weerlegt de rechtbank door te stellen dat er geen andere documenten of elementen voorliggen die het tegendeel bewijzen.
De rechter besluit dat er geen enkele tekst of document voorligt waaruit met zekerheid blijkt dat een kind geboren in België uit Palestijnse ouders, de Palestijnse nationaliteit heeft.
Palestijnse nationaliteit mogelijk door een administratieve handeling bij Palestijnse missie?
Art. 10, §1, tweede lid WBN voorziet een uitzondering op de toekenning van de Belgische nationaliteit: als er tóch een nationaliteit verkregen kan worden door een administratieve handeling, bijvoorbeeld een melding door de ouders bij de diplomatieke en consulaire overheden, dus in dit geval bij de Palestijnse missie voor de EU, België en Luxemburg, wordt de Belgische nationaliteit niet toegekend.
De rechtbank stelt dat uit niets blijkt dat het kind de Palestijnse nationaliteit kan krijgen via de Palestijnse missie in Brussel. Ook andere mogelijkheden, zoals terugkeren naar de bezette gebieden, of werken via tussenpersonen, doen niet ter zake, nu art. 10, §1, tweede lid WBN enkel spreekt van een administratieve handeling bij de diplomatieke of consulaire overheden om de uitzondering toepassing te laten vinden.
Geen sprake van rechtsmisbruik
De rechter stelt dat er geen sprake is van fraude of rechtsmisbruik bij de ouders omdat zij naar België kwamen om hun tweede kind hier geboren te laten worden. Zij maakten gebruik van wettelijke mogelijkheden en hebben hun leven in België uitgebouwd. Bovendien benadrukt de rechter dat het belang van het kind voorop moet staan en dat er ook rekening gehouden moet worden met de gevolgen van het verlies van Unieburgerschap als de Belgische nationaliteit wordt ingetrokken.
Kind is Belg
In deze uitspraken stelt de rechter dan ook dat de kinderen ingeschreven moeten worden of blijven als Belg.
Wat betekent dit in de praktijk?
Dit vonnis heeft kracht van gewijsde. De ABS van Antwerpen zal in de praktijk deze rechtspraak volgen.
Er is in het WBN geen specifieke beroepsprocedure voorzien voor een beroep tegen de niet-toekenning of intrekking van de Belgische nationaliteit op basis van art. 10 WBN. Op grond van art. 572bis, 1° van het Gerechtelijk Wetboek is de familierechtbank bevoegd voor deze beroepen, omdat het gaat over een subjectief recht dat te maken heeft met de staat van de persoon. Er is geen beroepstermijn voorzien. Een beroep kan dus op eender welk moment voor de 18e verjaardag van het kind worden ingesteld.
Soms vragen de ouders van een kind dat via art. 10 WBN de Belgische nationaliteit heeft gekregen, een verblijfsrecht aan op basis van gezinshereniging met hun Belgisch kind (art. 40ter, §2, eerste lid, 3° Verblijfswet). In de praktijk worden deze aanvragen gezinshereniging soms niet tijdig behandeld door Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ), wanneer DVZ meent dat het kind niet de Belgische nationaliteit heeft, maar de Palestijnse. De federale Ombudsman stelde hierover aanbevelingen op en maant DVZ aan om de nationaliteit van het kind zoals ingeschreven in het rijksregister te respecteren, en om tijdig, binnen maximum 6 maanden, een beslissing te nemen over deze aanvragen tot gezinshereniging met een Belgisch kind.
Meer info
- rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 27 februari 2026, nr. 24/2782/A
- rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 27 februari 2026, nr. 24/1443/A
- Lees meer op onze webpagina Welke minderjarigen zijn of kunnen Belg worden?
- aanbevelingen 2024.04 en 2024.05 van de federale Ombudsman