GwH: kind geboren in buitenland moet Belg kunnen worden, al is Belgische ouder overleden vóór verklaring tot toekenning nationaliteit

In het kort

Een kind dat geboren wordt in het buitenland uit een Belgische ouder die zelf ook in het buitenland geboren is, en dat al een nationaliteit heeft, wordt niet automatisch Belg. Pas als de Belgische ouder vóór de 5e verjaardag van het kind een verklaring aflegt, wordt het kind Belg. Als de Belgische ouder overlijdt voor de 5e verjaardag van het kind en voor deze de verklaring heeft afgelegd, kan het kind de Belgische nationaliteit niet meer verwerven. Dat is volgens het Grondwettelijk Hof (GwH) in strijd met het gelijkheidsbeginsel uit art. 10 en 11 van de Grondwet (Gw) en met het belang van het kind zoals gewaarborgd door art. 22bis Gw. 

Kind geboren in het buitenland, uit een Belgische ouder die ook in het buitenland is geboren: verklaring nodig

De prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gaat over de voorwaarden waaronder de Belgische nationaliteit wordt toegekend aan een kind geboren in het buitenland uit een Belgische ouder die zelf in het buitenland is geboren. Het kind, dat al een andere nationaliteit heeft, wordt in dat geval pas Belg als de Belgische ouder een verklaring aflegt vóór het kind 5 jaar is (artikel 8, §1, eerste lid, 2°, b) van het Wetboek van de Belgische nationaliteit (WBN)). Niemand anders, ook niet de andere ouder, kan de verklaring afleggen, enkel en alleen de Belgische ouder.

De termijn van 5 jaar is een vervaltermijn. De wet voorziet geen mogelijkheid tot verlenging, maar uit de rechtspraak blijkt dat in geval van overmacht die termijn wel verlengd kan worden via eenzijdig verzoekschrift aan de rechtbank van eerste aanleg (HvB Brussel, 24/10/2019 ).

GwH: verklaring moet kunnen afgelegd worden, ook al is de Belgische ouder overleden

In dit dossier was de Belgische ouder van het kind snel na de geboorte overleden en vooraleer de verklaring tot toekenning van de Belgische nationaliteit gebeurd was. Het Hof stelt een verschil in behandeling vast tussen twee vergelijkbare categorieën: kinderen die in het buitenland geboren zijn uit een Belgische ouder die zelf in het buitenland geboren is en waarbij 

  • in het ene geval de Belgische ouder niet overleden is en een verklaring heeft afgelegd tot toekenning van de Belgische nationaliteit aan het kind vóór zijn 5e verjaardag,  
  • in het andere geval de Belgische ouder overleden is vooraleer een verklaring tot toekenning van de nationaliteit te kunnen doen.

Dat verschil in behandeling heeft onevenredige gevolgen, volgens het Hof. Want er is geen enkele andere mogelijkheid voor dat kind van een Belgische ouder om de Belgische nationaliteit te krijgen in het buitenland. Pas na zijn 18e verjaardag zou het kind Belg kunnen worden, en als het aan alle voorwaarden van nationaliteitsverklaring zou voldoen zoals wettelijk verblijf in België. Het Hof merkt ook op dat er in het WBN wel een bescherming voor het belang van het kind is ingeschreven wanneer de Belgische ouder overlijdt vóór de geboorte van het kind (art. 8, §2 WBN). Maar deze situatie waarbij de ouder overlijdt vooraleer de verklaring te doen, binnen de 5 jaar na de geboorte, wordt niet beschermd. 

Het feit dat de verklaring voor het kind niet kan afgelegd worden wanneer de Belgische ouder is overleden binnen de 5 jaar na de geboorte is strijdig met het gelijkheidsbeginsel uit artikel 10 en 11 van de Grondwet en met het belang van het kind zoals gewaarborgd door art. 22bis van de Grondwet. 

Wat betekent dit in de praktijk?

Het is nu aan de wetgever om de vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen door een wetswijziging. In afwachting daarvan moeten de rechtscolleges en de bevoegde overheden, de gemeenten en de diplomatieke posten, zorgen dat de gevolgen van de vastgestelde ongrondwettigheid stoppen. Dat wil zeggen dat ze het mogelijk moeten maken dat de verklaring tot toekenning van de nationaliteit wordt afgelegd voor het kind waarvan de Belgische ouder overleden is vooraleer het de verklaring tot toekenning van de nationaliteit kon doen. In de praktijk zou dus bijvoorbeeld de andere ouder de verklaring moeten kunnen afleggen.