Screening: gestandaardiseerde controle identiteit en kwetsbaarheid
In het kort
De Screeningverordening 2024/1356, onderdeel van het Migratie- en asielpact, treedt op 12-6-2026 rechtstreeks in werking. Ze regelt een gestandaardiseerde controle van de identiteit en eventuele kwetsbaarheid van derdelands onderdanen. Deze screening moet gebeuren bij elke derdelander die een verzoek tot internationale bescherming doet, of onwettig de Europese Unie is binnengekomen. Unieburgers en hun familieleden worden niet aan screening onderworpen.
Alle gegevens worden genoteerd op een screeningsformulier, en dan wordt doorverwezen naar de asielprocedure of terugkeerprocedure.
De screening omvat
- een controle van de identiteit,
- een voorlopige medische controle,
- een voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid, en
- onderzoek naar een eventueel gevaar voor de nationale veiligheid.
Tijdens de screening is er recht op dringende medische hulp, of passende ondersteuning in een aangepaste accommodatie met het oog op de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de verzoeker.
De screening mag aan de grens niet langer duren dan 7 dagen en op het grondgebied niet langer dan 3 dagen. Als de screening dan niet afgerond is, moet ze worden stopgezet.
Voor wie een verzoek om internationale bescherming doet, loopt de screening gelijk met de registratie van het verzoek, en ook het recht op opvang begint vanaf het verzoek, ongeacht een screening.
De vreemdeling moet zijn medewerking verlenen bij het opmaken van het screeningformulier. De verordening somt een aantal verplicht te melden gegevens op, en ook enkele facultatieve gegevens.
Het formulier moet melden welke informatie afkomstig is van de vreemdeling, en welke informatie door de overheid is toegevoegd. De vreemdeling mag vragen om het formulier te verbeteren, maar het is niet mogelijk om tegen het formulier in beroep te gaan als er onenigheid is over de inhoud. Als je een verzoek indient om internationale bescherming, is de inhoud wel onderworpen aan debat bij het onderzoek bij het CGVS en de RvV.
Iemand die gescreend wordt, wordt mogelijk op dat moment ook vastgehouden. De screening zelf is echter geen reden voor vasthouding. De vreemdeling moet tijdens de screening enkel ‘ter beschikking blijven’ van de politie of DVZ. Dat betekent dat de vreemdeling moet opdagen op de afspraak die gegeven wordt. Als deze dat niet doet, kan dit beschouwd worden als een ‘risico op onderduiken”’.
Bij een screening moet de vreemdeling voldoende informatie krijgen in een taal die de persoon kan begrijpen of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij of zij deze begrijpt, en in principe schriftelijk; elektronisch of op papier. Als dat nodig is, kan het ook mondeling met de hulp van tolkendiensten; bijvoorbeeld in het geval van analfabeten. Voor minderjarigen moet de screening op kindvriendelijke manier gebeuren die aangepast is aan de leeftijd van het kind waarbij men ook moet rekening houden met een aantal extra waarborgen.
Diensten voor kinderbescherming of bescherming slachtoffers mensenhandel moeten betrokken worden.
De screeningverordening vereist een gepaste basisopleiding voor iedereen die een screening uitoefent, en een controlemechanisme. Bij het overgaan tot screening mag bijvoorbeeld niet gediscrimineerd worden op grond van geslacht, kleur, afkomst, religie of overtuiging. De behandeling van klachten over de screening gebeurt in België door de Federale Ombudsman voor de Dienst Vreemdelingenzaken en door het ‘Comité P’ voor handelingen van de politiediensten.