Schorsing overdrachtstermijn 6 maanden in AMMR/Dublin-dossiers sinds Migratie- en asielpact

In het kort

Sinds de inwerkingtreding van het Migratie- en Asielpact zorgt een schorsend beroep bij de RvV ervoor dat de overdrachtstermijn pas begint te lopen na het einde van dat beroep. Dit geldt echter enkel als DVZ de verantwoordelijke lidstaat op de hoogte brengt van het schorsend beroep. Als dit niet gebeurt, is het gevolg hiervan dat de termijn van 6 maanden doorloopt vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving van terugname door de andere lidstaat. Wanneer die termijn zou verstrijken, wordt België bevoegd voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

Enkel schorsing bij melding door DVZ

Bij onze toelichting over de overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat van een verzoeker om internationale bescherming (de nieuwe AMMR-regeling), schreven we dat België zelf de verantwoordelijke lidstaat wordt na verloop van 6 maanden vanaf het overdrachtsbesluit, of vanaf het arrest van de RvV in geval van een schorsend beroep

Deze informatie kunnen we verder nuanceren. De termijn van 6 maanden wordt enkel opgeschort als het schorsend beroep ook effectief aan de verantwoordelijke lidstaat wordt gecommuniceerd.

Tot 12 juni 2026 had een beroep bij de RvV geen impact op deze termijn van 6 maanden. Die termijn liep verder tijdens de behandeling van een RvV-beroep. Vanaf 12 juni loopt die termijn echter niet meer voor wie tegen de beslissing van DVZ een beroep tot nietigverklaring en schorsing heeft ingesteld. Dit is een gevolg van artikel 46 AMMR. Artikel 46 AMMR is onmiddellijk van toepassing, en laat de termijn beginnen 'vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking'.

Wie wil vermijden dat de termijn van 6 maanden wordt opgeschort, en toch een beroep wil indienen tegen het overdrachtsbesluit, moet dus een beroep tot nietigverklaring indienen zonder de schorsing te vragen. Wie tegen een overdrachtsbesluit van voor 12 juni 2026 beroep tot nietigverklaring en schorsing had gevraagd, moet in het dossier nagaan of DVZ aan de verantwoordelijke lidstaat een melding heeft gemaakt over dit beroep.

Wie tegen een overdrachtsbesluit van voor 12 juni 2026 beroep tot nietigverklaring en ook een schorsing had gevraagd, kan afstand doen van het verzoek tot schorsing. Het is onduidelijk of de termijn van zes maanden behouden kan blijven door afstand te doen van de vordering tot schorsing. Daarover zal de Raad zich nog moeten uitspreken, geval per geval.

Deze afstand moet dan zo snel mogelijk gemeld worden. De afstand kan gezien worden als een ‘omstandigheid na het overdrachtsbesluit die bepalend is voor de juiste toepassing van deze verordening’ in de zin van artikel 43, lid 1, b AMMR. De RvV kan die omstandigheid ex nunc beoordelen op het moment van het arrest. Dit is een nieuw element in de zin van artikel 2.59, § 1 RvV-wet en moet in de eerst mogelijke procedureakte worden voorgelegd.