Samenvatting
De Raad staat verzoeker bij dat, bij gebrek aan een geldig identiteitsdocument, verzoeker zijn identiteit mag bewijzen aan de hand van alternatieve middelen in de zin van artikel 40ter, §2, eerste lid, 2° Vreemdelingenwet. Een vonnis inzake de erkenning van verzoeker als staatloze kan echter onmogelijk als identiteitsdocument worden beschouwd. Verzoeker toont namelijk niet aan dat het mogelijk is om zijn persoonsgegevens uit het vonnis aan zijn persoon te koppelen.
Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de bestreden beslissing tot gevolg zou hebben dat zijn minderjarige dochter gedwongen wordt het grondgebied van de Unie te verlaten waardoor haar burgerschapsrechten worden ontzegd. De Raad stelt dat verzoeker immers een nieuwe aanvraag kan indienen van zodra hij over geldige identiteitsdocumenten beschikt.
De Raad stelt er geen schending is van de artikelen 8 EVRM en 7 Handvest gezien de bestreden beslissing geen verwijderingsmaatregel met zich meebrengt. De bestreden beslissing houdt ook geen scheiding in van vader en kind.