Bijzondere procedures internationale bescherming

Sinds 19 juni 2026 is de Verblijfswet gewijzigd door de wet ter uitvoering van het migratie- en asielpact. Voor verzoeken om internationale bescherming (VIB) ingediend voor 12 juni 2026, blijft asielgrensprocedure evenwel van toepassing volgens de oude regeling.

De bijzondere procedures van voorrang, beslissing van onontvankelijkheid en versnelde procedure worden vanaf 19 juni 2026 gewijzigd, ook voor hangende procedures van verzoeken ingediend voor 12 juni 2026.

In de periode tussen 12 juni 2026 en 19 juni 2026 was de nieuwe asielprocedureverordening (APR) al van toepassing, maar enkel op verzoeken ingediend na 12 juni 2026, en niet op hangende verzoeken. Vanaf 19 juni past de nationale wet de hangende procedure zo aan, dat ze op een gelijke manier verder behandeld worden zoals deze waarop de APR van toepassing is.

In het kort

Een aantal procedures van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen wijken af van de standaardprocedure. Het gaat hierbij om de procedures bij voorrang, de ontvankelijkheidsprocedures en de versnelde procedures. 

De meest gebruikelijke ontvankelijkheidsprocedure is die van het 'volgend verzoek'. Deze procedure wordt gevolgd wanneer het niet de eerste keer is dat je een verzoek tot internationale bescherming indient. 

Asielgrensprocedure

Als je je verzoek om internationale bescherming aan de grens doet bij de grenspolitie, meestal in de luchthaven van Zaventem of Charleroi, wordt op jouw VIB de asielgrensprocedure toegepast.

Voor verzoeken ingediend aan de grens voor 12 juni 2026, moet het CGVS binnen een vervaltermijn van 4 weken, vanaf de overdracht van het dossier door de DVZ, een beslissing nemen.

Als het CGVS beslist dat ander onderzoek nodig is, of geen beslissing neemt binnen 4 weken, stopt de asielgrensprocedure. Als zo’n beslissing wel valt, blijft de asielgrensprocedure lopen, eventueel tijdens beroep voor de RVV. In dat geval is dan wel de nieuwe RVV-Wet van toepassing, die voorziet in een urgente procedure. Voor een urgent beroep in een asielgrensprocedure geldt een beroepstermijn van 5 dagen.

Omdat je niet de vereiste binnenkomstdocumenten hebt mag je worden vastgehouden aan de grens (art. 74/5, § 1, 2° Vw.). Je kan tijdens de behandeling van je VIB in detentie worden geplaatst in een gesloten centrum (art. 74/5, § 2 Vw.). De duur van je vasthouding mag niet langer zijn dan 2 maanden.

Procedure bij voorrang

Vanaf 19 juni 2026 gelden er nieuwe bepalingen voor het nemen van een beslissing van ontvankelijkheid. Deze bepalingen komen zo veel mogelijk overeen met de bepalingen die ook gelden voor verzoeken die ingediend werden na 12 juni 2026.
Er zijn twee criteria die nog enkel gelden voor verzoeken ingediend voor 12 juni 2026, namelijk verzoeken van een EU-onderdaan en van een begeleide minderjarige.

In sommige gevallen kan je dossier met prioriteit worden behandeld en wordt het bovenaan de stapel gelegd.

Het gaat om volgende dossiers:

  • die waarschijnlijk gegrond zijn 
  • op verzoek van de minister 
  • vanuit detentie in een gesloten centrum (art. 74/6 Vw.) of vanuit een strafinrichting (art. 74/8 Vw.)

Als je verzoek bij voorrang wordt behandeld, betekent dat niet dat de termijn om te beslissen korter is, wel dat de procedure eerder opgestart wordt. Je dossier komt bovenop de stapel te liggen om behandeld te worden. De normaal toepasselijke procedurele termijnen, beginselen en waarborgen blijven van toepassing.

Ontvankelijkheidsprocedure

In de hieronder opgesomde gevallen doet het CGVS eerst een ontvankelijkheidsonderzoek van je VIB. Het CGVS kan dan: 

  • je verzoek weigeren met een niet-ontvankelijkheidsbeslissing.
  • of je verzoek ontvankelijk verklaren als het CGVS vaststelt dat de voorwaarden voor zo’n niet-ontvankelijkheidsbeslissing niet vervuld zijn. Je dossier wordt dan ten gronde onderzocht.

Voor een ontvankelijkheidsonderzoek geldt een verkorte oproepingstermijn van 2 dagen (art. 7, § 5 Procedurereglement CGVS). 

APR maakt een duidelijk onderscheid tussen het persoonlijk onderhoud in de ontvankelijkheidsfase en het onderhoud ten gronde (‘inhoudelijk onderhoud’). Tijdens het onderhoud over de ontvankelijkheid krijg je de mogelijkheid om aan te tonen waarom de gronden van niet-ontvankelijkheid niet op jou van toepassing zijn.

Bij een ontvankelijkheidsonderzoek in geval van een ‘volgend verzoek’ is het CGVS niet verplicht om je te horen.

Het CGVS heeft 2 maanden om over de ontvankelijkheid van je VIB te beslissen. Deze termijn mag maximum met 2 maanden worden verlengd als:

  • er te veel verzoeken tegelijk binnenkomen
  • het dossier te ingewikkeld is
  • je zelf de vertraging veroorzaakt door je verplichtingen niet na te komen

Het zijn termijnen van orde, waardoor je verzoek niet automatisch ontvankelijk wordt verklaard als CGVS deze termijnen niet respecteert.

Tegen een beslissing van niet-ontvankelijkheid kan je binnen een termijn van 10 dagen een niet automatisch schorsend beroep indienen bij de RvVIn je verzoekschrift tot vernietiging kan je bij wijze van voorlopige maatregel ‘de toestemming vragen om te blijven’. Tijdens de procedure om uitspraak te doen over je verzoek om te mogen blijven, kan je niet worden verwijderd van het grondgebied. Als je de toestemming krijgt om te blijven is je beroep schorsend. Er gelden uitzonderingen voor een ‘volgend verzoek’!

Op beroepen tegen een niet-ontvankelijkheidsbeslissing zal de RvV de versnelde procedure toepassen. De rechter zal uitspraak doen binnen de 4 maanden vanaf de indiening van je beroep.

Gronden voor onontvankelijkheid

Heb je al bescherming in een derde land dan geldt het weerlegbaar vermoeden dat je geen behoefte hebt aan internationale bescherming.

Een derde land kan beschouwd worden als ‘eerste land van asiel’ wanneer je daar reële en daadwerkelijke bescherming geniet, d.w.z.:

  • als erkend vluchteling of een gelijkwaardig statuut met respect voor het 
  • de geboden bescherming is actueel en toereikend
  • je wordt opnieuw tot het grondgebied van dat land toegelaten

Bij de beoordeling van het ‘eerste land van asiel’ houdt het CGVS rekening met de algemene toestand en je persoonlijke situatie.

Het vermoeden dat je geen bescherming hoeft omdat je al bescherming hebt in een derde land kan je weerleggen door aan te tonen dat:

  • Je niet langer beroep kan doen op reële bescherming.
  • Je niet opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten.

Wanneer je verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat het begrip ‘eerste land van asiel’ wordt toegepast geeft het CGVS je een document mee waarin de autoriteiten van dat land, in de taal van het land, worden geïnformeerd dat jouw verzoek niet inhoudelijk werd behandeld.

Als het derde land je niet opnieuw toelaat tot zijn grondgebied of niet binnen de gestelde termijn antwoord, krijg je toegang tot de procedure ten gronde.

Een ‘veilig derde land’ is een land:

  • dat door de Europese Unie of door België is aangewezen als ‘veilig derde land’ of
  • waar je overeenkomstig volgende beginselen zal worden behandeld:
    • het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging;
    • er bestaat geen risico op ernstige schade
    • het non-refoulementbeginsel wordt er gerespecteerd en het verbod op verwijdering naar een land met risico op foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of straffen wordt nageleefd
    • er de mogelijkheid bestaat om ‘doeltreffende bescherming ‘aan te vragen:

Het derde land waarborgt een ‘doeltreffende bescherming’ als je er de vluchtelingenstatus kan vragen volgens de Conventie van Genève. Is de Conventie van Genève niet van toepassing dan: 

  • moet je de toestemming hebben van het derde land om er te mogen blijven.
  • je hebt toegang tot toereikende bestaansmiddelen voor een adequate levenstandaard 
  • je hebt toegang tot gezondheidszorg en essentiële behandeling van ziekten
  • je hebt toegang tot basisonderwijs 
  • je krijgt doeltreffende bescherming totdat er een duurzame oplossing wordt gevonden

Bij de aanwijzing van een derde land als ‘veilig derde land’ kunnen er uitzonderingen worden gemaakt voor specifieke delen van het grondgebied of voor bepaalde categorieën personen.

APR voorziet ook in de mogelijkheid voor Europa om een lijst van veilige derde landen op te stellen. Daarnaast kan ook België voorzien in een lijst van andere (dan de landen die voorkomen op de Europese lijst) veilige derde landen. Tot op heden is er geen Europese lijst noch een Belgische lijst van veilige derde landen. 

Als het ‘veilig derde land’ aan deze voorwaarden voldoet mag jij aan dat land worden overgedragen indien:

  • je een zodanige band hebt met dat land dat het voor jou redelijk is om ernaar terug te gaan 
  • je door het derde land bent gereisd
  • de Europese Unie of België een overeenkomst heeft gesloten met dat land om je VIB daar te behandelen. Voor niet-begeleide minderjarigen (NBMV) kan deze categorie niet worden toegepast.

Dat een land wordt beoordeeld als ‘veilig derde land’ is een weerlegbaar vermoeden, waardoor je elementen kan aanbrengen om aan te tonen dat het begrip ‘veilig derde land’ niet op jou van toepassing is.

Wanneer je VIB door de toepassing van he begrip ‘veilig derde land’ niet-ontvankelijk wordt verklaard geeft het CGVS je een document mee waarin de autoriteiten van dat land, in de taal van het land, worden geïnformeerd dat jouw verzoek niet inhoudelijk werd behandeld.

Als het betrokken land je niet (opnieuw) toelaat tot zijn grondgebied krijg je toegang tot de procedure ten gronde. 

Heb je al een beschermingsstatus (erkend vluchteling of subsidiaire bescherming) in een andere EU-lidstaat (ook M-status genoemd) dan kan je in principe geen bescherming meer krijgen in België.

Er geldt een weerlegbaar vermoeden dat je geen nood meer hebt aan bescherming. Het CGVS verklaart deze verzoeken doorgaans niet-ontvankelijk, omdat alle EU-lidstaten zijn gebonden door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het . Hiertoe behoort het gemeenschappelijk Europees asielsysteem, dat zowel de fundamentele als de sociale rechten van erkende vluchtelingen en subsidiaire beschermde, zoals het non-refoulementbeginsel, waarborgt.

In de ontvankelijkheidsfase is het CGVS bij de M-statussen niet verplicht om je te horen.

In uitzonderlijke gevallen wordt je verzoek door het CGVS ten gronde onderzocht:

  • je kan aantonen dat je je niet meer op je beschermingsstatus kan beroepen 
  • je wel nog een beroep kan doen op de beschermingsstatus maar dat deze niet meer effectief is. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) zegt in haar arrest Ibrahim van 19 maart 2019, C-297/17 dat: een terugkeer niet mag neerkomen op een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie waardoor je als beschermde persoon niet in staat bent om te voorzien in ‘de meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid’

Sinds de wetswijziging van 14 juli 2025 beschouwen de Belgische instanties een verzoek om internationale bescherming na een M-status als een ‘volgend verzoek’(art. 50, § 5 Vw.). 

In de procedureverordening (APR) wordt niet expliciet gezegd of het over een definitieve positieve of definitieve negatieve beslissing gaat. Het Grondwettelijk Hof (GwH) heeft hierover een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie (HvJ). Het HvJ sprak zich al eerder uit over een definitieve beslissing in een andere lidstaat maar toen ging het over een definitieve negatieve beslissen.

Ben je een Unieburger, dan geldt er een weerlegbaar vermoeden dat je geen nood hebt aan bescherming. Het CGVS beroept zich hier op het feit dat alle EU-lidstaten gebonden zijn aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het EU-acquis. Je kan dit vermoeden weerleggen door elementen naar voor te brengen waaruit blijkt dat je ten opzichte van jouw EU land een gegronde vrees voor vervolging hebt of een reëel risico op ernstige schade loopt. 

Er geldt volgens de Verblijfswet een vermoeden dat begeleide minderjarigen dezelfde procedure volgen als hun ouders, ook als ze meerderjarig worden tijdens deze procedure. De beslissing die voor de ouder genomen wordt, geldt ook voor de minderjarige.

Maar een begeleide minderjarige kan ook een eigen verzoek om internationale bescherming doen. Dit verzoek zal enkel ontvankelijk zijn als:

  • de ouders reeds een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend dat het voorwerp uitmaakt van een definitieve beslissing
  • de minderjarige verzoeker nadien een eigen verzoek indient
  • de minderjarige eigen feiten aanhaalt
  • deze persoonlijke motieven een apart verzoek rechtvaardigen

In het geval van een eigen verzoek wordt steeds een volwaardig persoonlijk onderhoud gehouden, op voorwaarde dat de minderjarige voldoende onderscheidingsvermogen heeft. Er wordt rekening gehouden met de leeftijd, maturiteit en kwetsbaarheid van de minderjarige.

Als je in België een VIB doet nadat je een definitieve beslissing kreeg, in België of in een ander lidstaat, word je VIB als een ‘volgend verzoek’ beschouwd.

Het begrip ‘definitieve beslissing’ omvat ook beslissingen tot niet-ontvankelijkheid en expliciete en impliciete intrekkingen.

In de procedureverordening wordt niet expliciet gezegd of het over een definitieve positieve of definitieve negatieve beslissing gaat. Het Grondwettelijk Hof (GwH) heeft hierover een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie (HvJ). Het HvJ sprak zich al eerder uit over een definitieve beslissing in een andere lidstaat maar toen ging het over een definitieve negatieve beslissen.

Als je een begeleide minderjarige bent, kan je volgens APR in eigen naam een verzoek indienen als je overeenkomstig het recht van de lidstaat waar je je verzoek doet, handelingsbekwaam bent. Volgens de Belgische wetgever ben je handelingsbekwaam om een VIB in te dienen als je meerderjarig bent. Dus als minderjarige kan je in België geen verzoek indienen in eigen naam. Jouw wettelijke vertegenwoordiger moet dat dan voor jou doen.   

Een verzoek ingediend door een ouder/wettelijke vertegenwoordiger voor een begeleide minderjarige, na het eigen verzoek van die ouder/wettelijke vertegenwoordiger, is een volgend verzoek. 

Om een ‘volgend verzoek’ te kunnen indienen moet je beschikken over nieuwe elementen of nieuwe feiten ten opzichte van je eerdere verzoeken. 

De procedure wijkt af van de standaardprocedure.

Lees meer over de procedure bij een volgend verzoek.

Versnelde procedure

Vanaf 19 juni 2026 gelden nieuwe bepalingen in de Verblijfswet met betrekking tot de versnelde procedure, ook voor verzoeken van voor 12 juni 2026. De criteria worden zo veel mogelijk gelijk getrokken.
Voor verzoeken van voor 12 juni geldt nog wel een criteria dat niet geldt voor verzoeken vanaf 12 juni, namelijk het weigeren van afname van vingerafdrukken.
Voor verzoeken ingediend na 12 juni gelden enkele criteria die niet gelden voor eerder ingediende verzoeken, namelijk de laattijdige indiening na rechtmatige binnenkomst, en het behoren tot een nationaliteit met niet meer dan 20% erkenningsgraad.

In deze procedure word je dossier versneld behandeld.

De oproepingstermijn voor het persoonlijk onderhoud is 2 dagen.  

Het CGVS heeft 3 maanden om een beslissing te nemen.

Tegen een beslissing in de versnelde procedure kan je binnen een termijn van 10 dagen een niet automatisch schorsend beroep indienen bij de RvVIn je verzoekschrift tot vernietiging kan je bij wijze van voorlopige maatregel ‘de toestemming vragen om te blijven’. Tijdens de procedure om uitspraak te doen over je verzoek om te mogen blijven, kan je niet worden verwijderd van het grondgebied. Als je de toestemming krijgt om te blijven is je beroep schorsend.

Beroepen tegen een beslissing in de versnelde procedure zullen door de RvV ook versneld behandeld worden. De rechter zal uitspraak doen binnen de 4 maanden vanaf de indiening van je beroep.

Word je verzoek door het CGVS niet binnen de 3 maanden behandeld dan zal op jouw verzoek de standaardprocedure moeten worden toegepast. De termijn om een beroep in te dienen bij de RvV is dan geen 10 dagen maar 30 dagen.

Volgens de wet wordt een verzoek versneld behandeld wanneer:

  • de verzoeker alleen elementen heeft aangehaald die niet ter zake doen
  • de verzoeker uit een veilig land van herkomst komt

Voor een aantal landen van herkomst vermoedt het CGVS dat zij veilig zijn en dat je daarom geen bescherming nodig hebt. Er geldt een weerlegbaar vermoeden dat er in jouw land geen sprake is van vervolging of ernstige schade en dit op duurzame wijze. Je zal fundamentele redenen moeten geven (verhoogde bewijslast) waarom dat voor jouw specifieke situatie niet het geval is. Deze procedures worden versneld behandeld. 

Een land wordt veilig geacht wanneer is aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze

  • geen sprake is van vervolging
  • of dat er geen zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat de verzoeker om internationale bescherming een reëel risico loopt op ernstige schade

Men analyseert daarvoor de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden.

Hierbij houdt het CGVS onder meer rekening met de mate waarin je land van herkomst bescherming biedt tegen vervolging of mishandeling door:

  • de wetten en voorschriften van het land en de wijze waarop deze in de praktijk worden toegepast
  • de naleving van de rechten en vrijheden bepaald in het EVRM, het BUPO-verdrag, of het verdrag tegen foltering
  • de naleving van het non-refoulementbeginsel
  • de beschikbaarheid van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schending van bovenstaande rechten en vrijheden

Elk jaar wordt er bij KB bepaald welke herkomstlanden veilig zijn. Momenteel zijn dat:

  • Albanië
  • Bosnië-Herzegovina
  • Kosovo
  • Marokko
  • Montenegro
  • Noord-Macedonië
  • Servië

De lijst is onder meer gebaseerd op adviezen van het CGVS

 

  • de verzoeker de autoriteiten misleid heeft door omtrent zijn identiteit en/of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken, of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed kunnen hebben op de beslissing achter te houden
  • de verzoeker waarschijnlijk te kwader trouw een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of er zich van ontdaan
  • de verzoeker kennelijk incoherente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd, die tegenstrijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie
  • het volgend verzoek ontvankelijk werd verklaard en het verzoek ten gronde wordt onderzocht, behalve wanneer het eerste verzoek om IB het voorwerp heeft uitgemaakt van een technische weigering (volgens het Grondwettelijk Hof )
  • enkel een verzoek om internationale bescherming gedaan wordt om terugdrijving of verwijdering uit te stellen of te verijdelen
  • de verzoeker zich, zonder gegronde reden, niet zo snel mogelijk bij autoriteiten aangemeld heeft nadat hij het grondgebied onrechtmatig is binnengekomen
  • de verzoeker weigert vingerafdrukken te laten nemen
  • er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde

Volgens het  Grondwettelijk Hof mag een verzoek om IB van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling enkel versneld behandeld worden om de volgende redenen: 

  • de NBMV komt uit een veilig land van herkomst
  • de NBMV heeft een niet-ontvankelijk volgend verzoek ingediend
  • de NBMV vormt een gevaar voor de openbare veiligheid of de nationale orde