HvJ: Eerdere aanvraag tijdelijke bescherming in andere lidstaat geen reden voor niet-ontvankelijkheid

In het kort

In uitspraak C-753/23 van 27-2-2025 stelt het Hof van Justitie (HvJ) dat een lidstaat geen beslissing tot niet-ontvankelijkheid of weigering van tijdelijke bescherming mag nemen omdat iemand al tijdelijke bescherming in een andere lidstaat heeft aangevraagd maar deze nog niet heeft verkregen. Het Hof bevestigt ook het recht op beroep bij een onafhankelijke rechter tegen een besluit waarbij een aanvraag tijdelijke bescherming niet-ontvankelijk wordt verklaard. De nationale wetgeving van een lidstaat mag zulk beroep niet uitsluiten.

Een Oekraïense vrouw vroeg tijdelijke bescherming in Duitsland op 19 juli 2022. Op 20 september 2022 vroeg zij tijdelijke bescherming in Tsjechië. Het ministerie van Binnenlandse Zaken van Tsjechië verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk omdat zij in een andere lidstaat tijdelijke bescherming had aangevraagd of verkregen. Volgens dat ministerie valt de beslissing van niet-ontvankelijkheid niet binnen de werkingssfeer van de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn (de Richtlijn) omdat het niet mogelijk is tijdelijke bescherming te genieten in verschillende lidstaten. De Tsjechische wetgeving sluit bovendien uit dat deze beslissing tot niet-ontvankelijkheid door een rechter wordt getoetst.

De Tsjechische cassatierechter stelde de volgende prejudiciële vragen aan het HvJ:

  1. Mag een nationale regeling voorzien dat een aanvraag tijdelijke bescherming niet-ontvankelijk is als de aanvrager al tijdelijke bescherming heeft aangevraagd of gekregen in een andere lidstaat?
  2. Heeft een persoon die tijdelijke bescherming geniet overeenkomstig de Richtlijn recht op een doeltreffende voorziening in rechte krachtens artikel 47 van het Handvest wanneer door een lidstaat geen verblijfstitel op basis van tijdelijke bescherming wordt afgegeven?

Eerdere aanvraag in andere lidstaat geen reden voor niet-ontvankelijkheid

Het Hof bevestigt dat personen die vallen onder het toepassingsgebied van de tijdelijke bescherming mogen kiezen in welke lidstaat zij de tijdelijke bescherming genieten. Wanneer iemand in een eerste lidstaat tijdelijke bescherming heeft gevraagd en vervolgens naar een tweede lidstaat gaat en daar opnieuw tijdelijke bescherming vraagt, mag de tweede lidstaat deze aanvraag niet onontvankelijk verklaren op de enkele grond dat in de eerste lidstaat al een aanvraag is gedaan. Het is aan de tweede lidstaat om na te gaan of de aanvraag gegrond is.

Het Hof verwijst naar het feit dat Oekraïners visumvrij kunnen reizen. Zij hebben dus het recht zich vrij binnen de Unie te verplaatsen om met name te kiezen in welke lidstaat zij de rechten willen genieten die verbonden zijn aan tijdelijke bescherming. Het Hof herinnert er ook aan dat de lidstaten in een verklaring zijn overeengekomen dat zij artikel 11 van de Richtlijn niet toepassen. Dit betekent dat tijdelijk beschermden in de ene lidstaat, die doorreizen naar een andere lidstaat en daar tijdelijke bescherming aanvragen, niet teruggestuurd zullen worden naar de eerste lidstaat.

Recht op eerlijk beroep bij onafhankelijke rechter tegen niet-ontvankelijkheid

Het recht op een verblijfstitel voor wie valt onder het toepassingsgebied van tijdelijke bescherming is een door de rechtsorde van de Unie gewaarborgd recht. Bijgevolg vereist artikel 47 van het Handvest dat een doeltreffende voorziening in rechte kan worden ingesteld tegen een niet-ontvankelijkheidsbeslissing.

Het Hof benadrukt dat artikel 47 van het Handvest een herbevestiging is van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming. Dit artikel volstaat op zich. Het hoeft niet te worden gepreciseerd door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht om particulieren een recht te verlenen dat als zodanig kan worden ingeroepen. Het feit dat een bepaald artikel uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid voor een bepaalde categorie van personen om beroep in te stellen, betekent niet dat alleen deze personen toegang tot dergelijke rechtsmiddelen moeten hebben.