HvJ: Hof verduidelijkt begrip ‘veilig derde land’

In het kort

In arrest C-718/24 van 5-2-2026 verduidelijkt het hof op verschillende punten het begrip ‘veilige derde land’. Zo stelt het Hof van Justitie (HvJ) dat een verzoek om internationale bescherming (VIB) niet-ontvankelijk kan worden verklaard ongeacht of is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van internationale bescherming, al dan niet na de beschermingsbehoeften inhoudelijk te hebben onderzocht. Daarnaast wijst het Hof erop dat een inhoudelijk behandeld verzoek (kennelijk) ongegrond mag worden verklaard enkel onder de voorwaarden van artikel 32 van Procedurerichtlijn 2013/32 (ongegronde verzoeken) en niet op basis van artikel 33 (niet-ontvankelijke verzoeken). Tenslotte gaat ze in op de marge van discretie die een lidstaat geniet in het bepalen van de methodes voor de toepassing van veilig derde land.

Dit arrest is een aanvulling op eerdere arresten van het Hof die het begrip veilig derde land duiden;

  • in gevoegde arresten C-758/24 en C-759/24 wees het Hof al op enkele procedureverplichtingen om een daadwerkelijk rechtsmiddel te verzekeren tegen een beslissing van niet-onvankelijkheid op basis van het bestaan van een veilig derde land van herkomst. 
  • In diezelfde arresten werd bepaald dat een lidstaat een land niet op de lijst van veilige landen van herkomst mag plaatsen als dat land geen adequate bescherming biedt aan de gehele bevolking
  • In arrest C-406/22 werd bepaald dat een land enkel gekwalificeerd kan worden als veilig derde land indien het gehele grondgebied veilig is

Verzoek niet ongegrond omwille van bestaan veilig derde land

De nationale rechter verklaarde het verzoek als kennelijk ongegrond’ omdat de vreemdeling afkomstig is uit een veilig derde land. Dit is echter een grond voor niet-ontvankelijkheid onder art. 33, lid 2 van richtlijn 2013/32 (procedurerichtlijn). Een verzoek kan op deze basis niet als ongegrond verklaard worden. Een verzoek kan pas als 'kennelijk ongegrond verklaard worden na een inhoudelijk onderzoek en enkel op basis van art. 32 van voormelde richtlijn. 

Lidstaten verplicht criteria op te nemen in nationale wet voor bepalen van band met veilige derde land

De richtlijn bevat geen definitie van band. De lidstaten moeten zelf de criteria vaststellen aan de hand waarvan een dergelijke band kan worden vastgesteld. Het Hof verduidelijkt hierbij alleen dat de band voldoende moet zijn om de terugkeer van die verzoeker naar dat land redelijk te maken. Ze verwijst ook naar eerdere rechtspraak waarin al werd geoordeeld dat het loutere feit dat een persoon over het grondgebied van een derde land is gereisd, geen geldige reden kan vormen om redelijkerwijs aan te nemen dat verzoeker naar dat land kan terugkeren (Tompa). 

Wanneer de nationale rechter een beroep tegen een beslissing van niet-ontvankelijkheid op basis van veilig derde land behandelt, moet zij nagaan of er een band bestaat tussen verzoeker en het derde land aan de hand van een volledig ex nunc (hier en nuonderzoek. Dit is het geval ook wanneer het nationale recht deze bevoegdheid niet toekent aan de nationale rechter die het beroep behandelt. Verzoekers kunnen zich namelijk rechtstreeks beroepen op Artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (recht op doeltreffende voorziening in rechte). 

Veilige derde landen kunnen worden bepaald aan de hand van algemeen beschikbare bronnen of een lijst 

Lidstaten kunnen voor de bepaling van veilig derde land’ zowel voorzien in een veiligheidsstudie per land voor elke verzoeker, of voor een aanduiding van alle landen die worden beschouwd als algemeen veiling, of een combinatie van de twee. De toepassing van veilig derde land mag dus gebaseerd zijn op informatie afkomstig uit algemeen beschikbare bronnen. Wél moet men artikel 38, lid 2 c) Procedurerichtlijn in acht nemen. Dit artikel bepaalt dat een lidstaat moet voorzien in een afzonderlijke studie om na te gaan of het derde land veilig is voor een bepaalde persoon rekening houdend met zijn of haar specifieke omstandigheden.

Impact voor België

De impact voor België is eerder beperkt. Zo rijst de vraag niet of het verzoek van een persoon die voldoet aan de voorwaarden voor erkenning, niet-ontvankelijk mag worden verklaard: niet-ontvankelijke verzoeken worden namelijk niet ten gronde onderzocht, waardoor bij het nemen van de niet-ontvankelijkheidsbeslissing niet kan vaststaan of de verzoeker wel of niet in aanmerking zou komen voor erkenning als vluchteling of subsidiair beschermde.

Ook bevat de Belgische Verblijfswet criteria voor de beoordeling voor de band met het derde land, zijnde de aard, duur, en omstandigheden van het eerder verblijf (Art. 57/6/6 §2 Vw). Het beroep tegen een niet-ontvankelijkheidsbeslissing is een beroep in volle rechtsmacht, dat een volledig ex nunc onderzoek omvat.

 

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen