HvJ past recht op vrij verkeer toe op genderidentiteit

In het kort

In een uitspraak van 4-10-2024 past het Hof van Justitie (HvJ) het recht op vrij verkeer voor Unieburgers toe op een deelaspect van iemands burgerlijke staat. Het Hof bevestigt dat een lidstaat verplicht is om een rechtmatig in een andere lidstaat verkregen voornaams- en genderidentiteitswijziging te erkennen en in te schrijven in de geboorteakte. Een nationale regeling die een dergelijke erkenning en inschrijving niet toestaat en de betrokkene verplicht om in de lidstaat van herkomst een nieuwe, gerechtelijke procedure tot wijziging van zijn genderidentiteit in te stellen, schendt het recht op vrij verkeer. 

Voornaam- en genderidenteitswijziging

Een Roemeens-Brits onderdaan verkrijgt een voornaams- en een genderidentiteitswijziging in het Verenigd Koninkrijk (VK), in een periode dat het VK nog een EU-lidstaat was. De door de Britse autoriteiten afgegeven officiële documenten (rijbewijs en paspoort) worden gewijzigd. Wanneer de betrokkene vervolgens aan de Roemeense autoriteiten vraagt om ook de Roemeense geboorteakte te wijzigen op basis van de Britse wijzigingsdocumenten, weigeren die dat echter. Ze verwijzen de betrokkene naar de Roemeense procedure om een dergelijke naams- en genderidentiteitswijziging door te voeren. 

Volgens het Roemeense recht moet je echter eerst een rechterlijke procedure voeren en pas na een definitief vonnis kan er een genderidentiteitswijziging worden doorgevoerd. De uitkomst van zo’n procedure is onvoorspelbaar. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beoordeelde de Roemeense procedure eerder als onduidelijk en onvoorspelbaar. Daardoor is er geen garantie is dat het resultaat van die nationale procedure zal overeenkomen met de in het Verenigd Koninkrijk doorgevoerde wijzigingen. 

De burger stelt beroep in tegen deze beslissing en verzoekt de Roemeense rechtbank om de ambtenaar te bevelen te wijzigingen door te voeren. Hij beroept zich hiervoor op een rechtstreekse toepassing van het Unierecht, met name het recht van iedere Unieburger om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Hij meent dat de autoriteiten op basis daarvan zijn geboorteakte in overeenstemming moeten brengen met zijn voornaam en zijn genderidentiteit die hij in het Verenigd Koninkrijk rechtmatig heeft verkregen, zodat hij dit recht ongehinderd kan uitoefenen aan de hand van een reisdocument dat overeenstemt met zijn genderidentiteit.

De rechtbank van eerste aanleg te Boekarest stelt vervolgens een prejudiciële vraag aan het HvJ over de verenigbaarheid met het Unierecht, meer bepaald art. 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), artikel 2 Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), de artikelen 18, 20 en 21 VWEU en de artikelen 1, 7, 20, 21 en 45 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Recht op vrij verkeer en burgerlijke staat van de persoon

Het Hof van Justitie bevestigt dat de organisatie van de  burgerlijke staat weliswaar een autonome bevoegdheid is van de lidstaten. Maar ze herhaalt óók dat hierin recht moet worden gedaan aan het Unierecht, in het bijzonder wat betreft de vrijheid van elke burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Die vrijheid houdt ook in dat men rekening moet houden met de burgerlijke staat van personen zoals die rechtmatig in een andere lidstaat is vastgesteld.  

Eerder oordeelde het Hof dat een discrepantie tussen twee namen waarmee een en dezelfde persoon wordt aangeduid, kan leiden tot verwarring en ongemakken. Voor tal van handelingen in het dagelijkse leven, zowel in het beroeps- als in het privéleven, moet je immers het bewijs leveren van je eigen identiteit (zie Garcio Avello en Grunkin en Paul). Het Hof trekt deze analogie verder en wijst erop dat een dergelijke belemmering ook kan voortvloeien uit de weigering om een wijziging van genderidentiteit te erkennen die rechtmatig in een andere lidstaat is verkregen.

Iemands seksuele identiteit is bovendien een van de meest intieme aspecten van zijn privéleven en valt onder de bescherming van artikel 8 EVRM. De positieve verplichtingen die daaruit voor de lidstaten voortvloeien betekenen dat er doeltreffende en toegankelijke procedures moeten worden ingevoerd die een daadwerkelijke eerbiediging van hun recht op seksuele identiteit waarborgen, met slechts een beperkte beoordelingsmarge voor de lidstaten. Eerder oordeelde het Europees Hof dat dit betekent dat de lidstaten verplicht zijn om te voorzien in de mogelijkheid van een snelle, transparante en toegankelijke aanpassing van officiële documenten en dat de Roemeense procedure onverenigbaar met artikel 8 EVRM.  

De Roemeense procedure volstaat evenmin wanneer het de erkenning van buitenlandse genderidentiteitswijzigingen betreft. De rechterlijke beoordelingsbevoegdheid kan immers leiden tot een discrepantie tussen het geslacht dat aan dezelfde persoon wordt gegeven in verschillende lidstaten. Geslacht maakt deel uit van iemands identiteit, en bewijsproblemen op dat vlak kunnen dus tot ernstige administratieve, professionele en persoonlijke ongemakken leiden. Daarom schendt de Roemeense wettelijke context niet alleen artikel 8 EVRM, maar voldoet deze ook niet aan de vereisten van artikel 21 VWEU.

Bevestiging van belang grensoverschrijdende meeneembaarheid 

Met deze uitspraak bevestigt het Hof van Justitie het eerder erkende belang van de grensoverschrijdende meeneembaarheid van iemands burgerlijke staat. De burgerlijke staat van personen zoals die in een andere lidstaat rechtmatig is vastgesteld, moet erkend worden.

Met de concrete toepassing op de kwestie van gender benadrukt het Hof bovendien dat  iemands genderidentiteit niet alleen een onderdeel van iemands burgerlijke staat is, maar ook raakt aan de kern van iemands privéleven. Het valt onder de bescherming van artikel 8 EVRM, wat inhoudt dat lidstaten doeltreffende en toegankelijke procedures moeten bieden voor het erkennen van genderidentiteit. Het nationale recht dat niet toestaat dat de rechtmatig in een lidstaat verkregen wijziging van genderidentiteit, wordt erkend en wordt ingeschreven in zijn geboorteakte, is in strijd met het Unierecht.

Vrij verkeer, genderidentiteit & Wetboek Internationaal Privaatrecht

Deze uitspraak illustreert nogmaals de pertinentie van het recht op vrij verkeer in internationaal privaatrechtelijke context. We moeten de nationale rechtssystemen niet alleen lezen in het licht van het Unierecht, maar ook van het mensenrechtelijk kader. 

Ook voor het internationaal privaatrechtelijk kader van België heeft deze jurisprudentie mogelijks gevolgen. 

Wat indien een andere lidstaat een genderidentiteitswijziging doorvoert, zonder dat die overeenkomt met de voorwaarden van diens nationale recht? 

Als een Unieburger een dergelijke buitenlandse rechterlijke beslissing ter erkenning voorlegt zou dat geen probleem mogen zijn. Het erkenningsregime zoals opgenomen in artikel 25 Wetboek Internationaal Privaatrecht (WIPR) voorziet immers geen controle van het toepasselijk recht. Als het gaat om een buitenlandse akte of administratieve beslissing , speelt de conflictenrechtelijke toets. Artikel 35ter i.c.m. artikel 34 § 1 WIPR bepaalt dat iemands nationale recht van toepassing is op een genderidentiteitswijziging. Uit het algemene erkenningsregime van art. 27 WIPR volgt dat een buitenlandse akte erkend kan worden, onder meer op voorwaarde dat die is genomen in overeenstemming met iemands nationale recht.

Dat erkenningsregime is mogelijk strijdig met het EU-recht. Tenzij men, net zoals vroeger bij naam, het Wetboek Internationaal Privaatrecht interpreteert op een manier die verenigbaar is met de EU-rechtspraak.