HvJ: verblijfsaanvraag door (schoon)(groot)ouder van volwassen Unieburger mogelijk vanuit België zelfs na jaren onwettig verblijf als nog altijd ‘ten laste’
In het kort
Op 10-4-2025 sprak het Hof van Justitie (HvJ) zich in de zaak C-607/21 uit over de vraag of de Marokkaanse schoonmoeder van een Nederlandse onderdaan een verblijfsrecht kan bekomen in België op grond van de Burgerschapsrichtlijn na jaren van onwettig verblijf in België. De Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) had de verblijfsaanvraag van de vrouw afgewezen omdat de documenten die haar afhankelijkheid konden bewijzen in het land van oorsprong, te oud zouden zijn. Het HvJ verduidelijkte dat als een verblijfsaanvraag als familielid van een Unieburger (of diens partner) wordt ingediend na jaren van (onwettig) verblijf in de gastlidstaat, de situatie van afhankelijkheid moet bestaan op de datum van de aanvraag voor een verblijfskaart én dat ook de afhankelijkheid in het land van oorsprong moet worden aangetoond. De afhankelijkheid in het land van herkomst kan met ieder passend middel worden bewezen. Tot slot benadrukte het HvJ dat de aanvraag gezinshereniging kan worden ingediend vanuit onwettig verblijf.
Aanvraag gezinshereniging door schoonouder van Unieburger
Het familielid dat zich in deze zaak beriep op de Burgerschapsrichtlijn, was een Marokkaanse vrouw wiens Belgische zoon en Nederlandse partner in België woonden. De vrouw was in juli 2011 België binnengekomen met een Schengenvisum afgegeven door de Nederlandse autoriteiten. In september 2011 diende ze haar eerste aanvraag gezinshereniging in met als referentiepersoon haar Belgische zoon. Deze aanvraag werd afgewezen omdat de Belgische wetgeving niet langer in deze mogelijkheid voorzag. Enkele jaren later, in juni 2015, diende ze een tweede verblijfsaanvraag in. Deze keer als rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van een Unieburger of diens partner (art. 2, lid 2, d) Burgerschapsrichtlijn). Omdat niet was aangetoond dat er voldoende bestaansmiddelen voorhanden waren, werd de aanvraag afgewezen. Een bevel om het grondgebied te verlaten werd aan mevrouw betekend. In november 2017 diende de vrouw een derde verblijfsaanvraag in en riep ze opnieuw haar hoedanigheid als familielid van een Unieburger of diens partner in. België erkende het verblijfsrecht van de vrouw niet omdat de documenten die ze overhandigd had als bewijs van haar afhankelijkheid allen dateerden van 2011. DVZ oordeelde dat deze documenten te oud waren om aan te tonen dat de vrouw voor de aanvraag gezinshereniging in Marokko ten laste was van haar zoon en diens partner. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) verwierp haar beroep tegen de weigering van de gezinshereniging. Hierna tekende de vrouw beroep aan bij de Raad van State (RvS) dat besloot een aantal prejudiciële vragen te stellen.
Ten laste zijn in land van oorsprong of herkomst én op moment van aanvraag
Het HvJ boog zich in de eerste plaats over de vraag op welke momenten de aanvrager ‘ten laste’ moet zijn van de Unieburger of diens partner wanneer het familielid zich al vele jaren op het grondgebied bevindt van de lidstaat waar de Unieburger-gezinshereniger gevestigd is. Het HvJ verwees hierbij in eerste instantie naar vaste rechtspraak waaruit volgt dat de situatie van afhankelijkheid moet bestaan in het land van oorsprong of van herkomst van die bloedverwant in opgaande lijn op de datum waarop hij de hereniging vraagt met de partner of de Unieburger.
Het HvJ merkte echter op dat deze rechtspraak niet zonder meer kan worden toegepast op situaties waarin meerdere jaren zijn verstreken tussen het vertrek van de derdelander uit zijn land van oorsprong en de aanvraag voor een verblijfskaart door die derdelander. In deze gevallen moet worden aangetoond dat de (schoon)(groot)ouder ten laste is:
- In zijn land van oorsprong/herkomst op de datum waarop hij dat land heeft verlaten en zich bij de Unieburger in het gastland heeft gevoegd én
- In de gastlidstaat op de datum van indiening van de aanvraag voor een verblijfskaart.
De afhankelijkheid in het land van oorsprong/herkomst kan met ieder passend middel worden bewezen. Het HvJ verduidelijkt in het arrest dat het kan gaan om documenten die in het verleden zijn afgegeven en die het bestaan aantonen van een afhankelijkheidssituatie in zijn land van oorsprong op de datum waarop het familielid zich fysiek heeft gevoegd bij de Unieburger en diens partner. Die documenten mogen niet als te oud worden beschouwd.
Het HvJ verduidelijkte ook dat het verblijfsrecht niet kan worden geweigerd omdat de (stief)(groot)ouder op het ogenblik van de aanvraag op grond van nationale regelgeving onregelmatig verbleef op het grondgebied van de gastlidstaat.
Ten laste blijven tot moment van beslissing?
De vraag of de (stief)(groot)ouder ten laste moet blijven tot op het moment waarop DVZ beslist over de aanvraag gezinshereniging, werd niet voorgelegd aan het HvJ. Wanneer het familielid dat om gezinshereniging verzoekt een (stief)kind is dat ouder is dan 18/21 jaar, zijn DVZ, de RvV en de RvS alvast van mening dat de afhankelijkheid moet blijven voortbestaan totdat er een beslissing werd genomen aangaande de gezinshereniging. Zie hierover ons nieuwsbericht ‘RvV: voorwaarde ‘ten laste’ bij aanvraag gezinshereniging (klein)kind van Unieburger ouder dan 21 jaar speelt tot op moment beslissing DVZ’.