Nationale voorwaarde van visumaanvraag voor erkenning verblijfsrecht artikel 20 VWEU familielid Unieburger niet conform unierecht
In het kort
De afgifte van een verblijfstitel op basis van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 Verdrag over de Werking van de Europese Unie (VWEU) aan een familielid van een Unieburger is geen rechtscheppende handeling. Dit verblijfsrecht vloeit rechtstreeks voort uit het unierecht en start op het tijdstip waarop de afhankelijkheidsverhouding tussen de derdelander en de Unieburger ontstaat. Een nationale regeling die als voorwaarde voor de erkenning van dat afgeleid recht vereist dat de derdelander een visumaanvraag indient in het herkomstland is strijdig met artikel 20 VWEU, ook al zou de Unieburger maar voor korte duur de EU moeten verlaten. Dat stelt het Hof van Justitie (HvJ) in arrest nr. C-130/24 van 24 augustus 2025.
Studievisum voor Polen
In 2019 betrad een vrouw het Schengengebied met een studentenvisum voor Polen. Zij vertrok snel naar Duitsland, waar een BGV werd opgesteld dat niet afgegeven kon worden aan haar. Ze verbleef immers niet op het adres dat ze opgegeven had. In 2021 beviel ze van een kind dat een Duitse vader heeft. Ze heeft het exclusief ouderlijk gezag over het kind. De vader bezoekt zijn kind af en toe. In 2022 vroeg ze een verblijfsvergunning aan. Het antwoord van de stad Wuppertal was dat zij die niet kon krijgen wegens onregelmatige binnenkomst en wegens onderduiken, wat een strafbaar feit is. De stad stelde dat zij met haar kind tijdelijk kon terugkeren naar haar herkomstland (derde land) en een visumaanvraag kon indienen. In beroep stelde een rechter dat een verblijfsvergunning afgegeven moest worden aan de vrouw, met ingang vanaf het vonnis. De vraag rijst wanneer een verblijfsrecht in hoofde van artikel 20 VWEU ontstaat en of er een constitutieve handeling nodig is.
Verblijfsrecht wanneer afhankelijkheidsverhouding ontstaat
Het Hof van Justitie herinnert aan het feit dat ook als er geen afgeleid recht op verblijf is er toch een verblijfsrecht toegekend moet worden aan een familielid van een unieburger, ook al heeft de unieburger zijn recht op vrij verkeer niet gebruikt, zodat geen afbreuk gedaan zou worden aan het nuttig effect van het unieburgerschap. Dat is het geval als er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat die ertoe zou leiden dat de unieburger gedwongen is de Europese Unie (EU) als geheel te verlaten. Een dergelijk verblijfsrecht vloeit rechtstreeks voort uit artikel 20 VWEU, ongeacht de afgifte van een verblijfstitel door de bevoegde nationale autoriteiten, net zoals voor het verblijfsrecht van unieburgers.
De afgifte van een verblijfstitel op grond van artikel 20 VWEU is een handeling waarbij de lidstaat de individuele positie van een derdelander vaststelt uit het oogpunt van het unierecht.
Het verblijfsrecht ontstaat zodra de afhankelijkheidsverhouding tussen de unieburger en diens familielid ontstaat, niet bij de indiening van de verblijfsaanvraag. In dit geval is dat ogenblik de geboorte van de unieburger.
Voorwaarde visumaanvraag in herkomstland vóór verblijf o.b.v. art. 20 VWEU terwijl materiële voorwaarden voldaan zijn, is onwettig
De procedurevoorschriften van een lidstaat mogen geen afbreuk doen aan de nuttige werking van het unieburgerschap en van het afgeleid verblijfsrecht van een familielid van een unieburger. Ook al zou de visumaanvraagprocedure in het land van herkomst van korte duur zijn en is de unieburger nog niet leerplichtig, dan nog doet dit afbreuk aan het nuttig effect van het unieburgerschap (art. 20 VWEU) en aan de kern van het afgeleide verblijfsrecht. Er is tevens geen terugkeergarantie.
Het vereisen dat een familielid van een unieburger een visum moet aanvragen in een derde land om in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsrecht krachtens art. 20 VWEU is een formele voorwaarde die in de praktijk het door het unierecht toegekende recht ontzegt, ook al zijn de materiële voorwaarden vervuld.
Een dergelijke voorwaarde wordt niet geacht evenredig te zijn aan het nagestreefde doel van de voorwaarde. Art. 20 VWEU verzet zich tegen een nationale regeling die de erkenning van een afgeleid verblijfsrecht op grond van deze bepaling afhankelijk stelt van de voorwaarde dat nadien in een derde land een visum aan het familielid van de unieburger wordt afgegeven.