Overzicht referentiebedragen verblijfsprocedures: leefloon & GGMMI

Vanaf 1-4-2026 stijgt het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen (GGMMI) als gevolg van de Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) 43/18 van 24-3-2026 naar 2.189,81 euro.

Dit heeft impact op bepaalde situaties van arbeidsmigratie. Lees meer hierover in ons artikel 'Loonnormen voor arbeidsmigratie'. Het heeft ook effect op bepaalde situaties van gezinshereniging waarbij een hoger referentiebedrag geldt als bewijs van voldoende inkomsten. Lees meer hierover in ons artikel 'Gezinshereniging: diverse wijzigingen'. 

Onze webpagina's zijn actueel. 

In het kort

Vanaf 1-3-2026 gelden hogere leefloonbedragen ten gevolge van het wettelijk mechanisme voor de welvaartsaanpassing. De verhoging van het leefloon heeft onder meer gevolgen voor het recht op gezinshereniging in bepaalde gevallen, voor garantstellingen bij kort verblijf, bij derdelands studentenverblijf en voor de aanvraag van een beroepskaart in het Vlaams Gewest. Als referentiebedrag geldt 120% van het leefloon voor personen met een gezin ten laste. Vanaf 1-3-2026  is dit 2.173,88 euro netto. Dit bedrag is aangepast op de website. 

Sinds de wetswijziging over gezinshereniging van 18-8-2025 is in bepaalde gevallen een ander referentiebedrag van toepassing nl. 110% van het Gemiddeld Gewaarborgd Maandelijks Minimuminkomen (GGMMI). Vanaf 1-4-2026 bedraagt dit 2.189,81 euro + 10% =  2.408,79 euro netto als 1 gezinslid een aanvraag tot gezinshereniging doet. Dit wordt verhoogd met 10% per gezinslid ten laste.

Leeflonen vanaf 1-3-2026

Het maandelijks leefloon bedraagt:

  • 893,65 euro voor een samenwonende persoon
  • 1.340,47 euro voor een alleenstaande persoon
  • 1.811,57 euro voor een persoon die samenwoont met een gezin ten laste

GGMMI vanaf 1-4-2026

Het GGMMI bedraagt:

  • 2.189,81 euro

Referentiebedrag: gezinshereniging, kort verblijf, student en beroepskaart

  • Soms is het voor gezinshereniging een voorwaarde dat men ‘stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen’ heeft. Tot 18-8-2025 volstond in elk geval een maandelijks netto-inkomen van 120% van het leefloon hiervoor. Door de wetswijziging over gezinshereniging van 18-8-2025 is in bepaalde gevallen een ander referentiebedrag van toepassing nl. 110% van het GGMMI. Vanaf 1-4-2026 is dit 2.189,81 euro + 10% =  2.408,79 euro. Dit wordt verhoogd met 10% per gezinslid ten laste. Dit nieuwe referentiebedrag is niet in elke situatie onmiddellijk van toepassing. Om te weten welk referentiebedrag geldt in een bepaalde situatie kan je meer lezen in onze artikel 'Gezinshereniging: diverse wijzigingen'.)
  • Bij garantstellingen voor kort verblijf, bijlage 3bis, beoordeelt de DVZ aan de hand van het referentiebedrag van 120% van het leefloon of iemand kredietwaardig is of niet.
  • Voor een verblijf als derdelands student moet de student aantonen dat hij maandelijks over een minimumbedrag kan beschikken. Voor academiejaar 2025/2026 is dit 835 euro en voor 2026/2027 is dit 1062 euro. Bij garantstellingen voor derdelands studenten, bijlage 32, moet de garant minimaal een netto-inkomen aantonen van 120% van het leefloon + 835 euro (2025/2026) / 1062 euro (2026/2027) per student ten laste.
  • Wie een beroepskaart aanvraagt bij de Vlaams Gewest moet onder andere stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen aantonen. Tot 18-8-2025 gold het referentiebedrag van 120% van het leefloon, al werd dit in de praktijk toegepast tot 1-4-2026. Sindsdien moet je 110% van het GGMMI (zonder bijkomende 10% per gezinslid ten laste) aantonen. Lees meer over de referentiebedragen en loonnormen in het kader van arbeidsmigratie in het artikel 'Loonnormen voor arbeidsmigratie'.

Historisch overzicht bedragen

Referentiebedragen 120% van het leefloon doorheen de tijd voor drie situaties: 1) bij gezinshereniging met voorwaarde van ‘stabiele en toereikende bestaansmiddelen’; 2) bij garantstellingen vanaf 1-12-2023 voor kort verblijf; en 3) bij garantstellingen voor derdelands studentenverblijf.

  • Vanaf 1-3-2026: 2.173,88 euro
  • Vanaf 1-2-2025: 2.131,28 euro
  • Vanaf 1-5-2024: 2.089,55 euro
  • Vanaf 1-11-2023: 2.048,53 euro
  • Vanaf 1-7-2023: 2.008,38 euro
  • Vanaf 1-1-2023: 1.969,00 euro
  • Vanaf 1-12-2022: 1.920,03 euro
  • Vanaf 1-11-2022: 1.882,35 euro
  • Vanaf 1-8-2022: 1.845,48 euro
  • Vanaf 1-5-2022; 1.809,33 euro
  • Vanaf 1-3-2022: 1.773,87 euro
  • Vanaf 1-1-2022: 1.738,98 euro
  • Vanaf 1-9-2021: 1.661,45 euro
  • Vanaf 1-7-2021: 1.628,83 euro
  • vanaf 1-3-2020: 1.555,09 euro
  • vanaf 1-1-2020: 1.524,61 euro
  • vanaf 1-9-2018: 1.505,78 euro
  • vanaf 1-7-2018: 1.476,32 euro
  • vanaf 1-9-2017: 1.428,32 euro
  • vanaf 1-7-2017: 1.415,58 euro
  • vanaf 1-6-2016: 1.387,83 euro
  • vanaf 1-4-2016: 1.360,62 euro
  • vanaf 1-9-2015: 1.333,94 euro

Referentiebedragen van 110% van het GGMMI in bepaalde situaties van gezinshereniging met voorwaarde van ‘stabiele en toereikende bestaansmiddelen’:

  • vanaf 1-4-2026: 2.408,79 euro
  • vanaf 1-1-2026: 2.369,52 euro
  • vanaf 18-8-2025: 2.323,079 euro