RvS: intrekking alle gecombineerde vergunningen bij werkgever wegens systematische inbreuken is niet disproportioneel

Wanneer er ernstige en systematische inbreuken op de regelgeving inzake de tewerkstelling van vreemdelingen worden vastgesteld, is het niet onredelijk of onevenredig om alle gecombineerde vergunningen bij de betrokken werkgever in te trekken, ook in de gevallen waarbij geen onregelmatigheid werd vastgesteld. Dat zegt de Raad van State (RvS) in arrest nr. 262.611 van 14-3-2025.

Onregelmatigheden bij 59 werknemers, 161 intrekkingen

In deze zaak trok het Vlaams Gewest alle 161 toelatingen tot werk bij éénzelfde werkgever in nadat er bij 59 werknemers onregelmatigheden werden vastgesteld. Het ging onder meer over vrachtwagenchauffeurs die al aan het werk waren terwijl zij onwettig in België verbleven, zwartwerk dat niet via Dimona werd aangegeven en het niet uitbetalen van weekendwerk ten belope van minstens 624.000 euro.

De werkgever voerde aan dat het niet proportioneel is om alle 161 toelatingen in te trekken op basis van vermeende tekortkomingen bij 59 werknemers, dat elke toelating persoonlijk wordt afgeleverd en bijgevolg individueel onderzocht moet worden. 

RvS: werkgever die wettelijke en reglementaire verplichtingen voor tewerkstelling werknemers niet nakomt

De Raad van State wijst op de door het Vlaams Gewest gebruikte rechtsgronden, zijnde artikel 13, § 1, 1°, 3° en 4° van het Vlaams Besluit van 7 december 2018. Deze artikels bevatten intrekkingsgronden voor een toelating tot werk als:

  • voor de aanvraag gebruikgemaakt is van bedrieglijke praktijken, onvolledige, onjuiste of vervalste verklaringen, of als onrechtmatig verkregen gegevens werden bezorgd of onrechtmatig aanpassingen werden verricht;
  • de tewerkstelling strijdig is met de openbare orde of openbare veiligheid, met de wetten en reglementen, of met de internationale overeenkomsten en akkoorden over de indienstneming en tewerkstelling van werknemers van buitenlandse nationaliteit; of
  • de werkgever of de gastentiteit de wettelijke en reglementaire verplichtingen voor de tewerkstelling van werknemers niet nakomt, met inbegrip van de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de werknemers.

Voor de 59 toelatingen tot arbeid waarbij onregelmatigheden werden vastgesteld, zijn de eerste twee hierboven opgesomde rechtsgronden van toepassing. De beslissing om ook alle andere toelatingen tot werk bij de werkgever in te trekken is gesteund op de laatste vermelde rechtsgrond, die gericht is op de werkgever in het algemeen. 

Uit de vaststellingen blijkt onmiskenbaar dat de werkgever zijn wettelijke verplichtingen inzake de tewerkstelling van werknemers niet nakomt en de beslissing is gesteund op de ernst en het systematisch karakter van de inbreuken. 

De Raad van State besluit dat er niet wordt aangetoond dat de beslissing op onjuiste feitelijke gegevens gesteund is, noch dat zij op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, onredelijk of onevenredig is.

Bevoegdheid ondertekenende minister

In de marge van het bovenstaande was er in deze zaak ook discussie of de bestreden beslissing correct genomen werd. Zij werd immers ondertekend door toenmalig Vlaams minister Lydia Peeters en niet door de toenmalige bevoegde Vlaamse minister voor Werk en Sociale Economie Jo Brouns. Artikel 16 van het besluit van de Vlaamse regering van 25 juli 2014 bevat een regeling voor plaatsvervanging wanneer de bevoegde minister afwezig of verhinderd is. Volgens de werkgever is er geen sprake van een daadwerkelijke plaatsvervanging, doordat de beslissing werd ondertekend “in opdracht van” Jo Brouns. 

Volgens de Raad van State blijkt uit het administratief dossier echter afdoende dat Jo Brouns zich op de datum van de bestreden beslissing liet vervangen door Lydia Peeters, waardoor zij wel degelijk bevoegd was om de bestreden beslissing zowel daadwerkelijk te nemen, als ze enkel te ondertekenen in afwezigheid van Jo Brouns. Uit het feit dat de beslissing “in opdracht van” werd ondertekend blijkt geen schending van bevoegdheid.