Uitbreiding samenwonenden bij berekening leefloon
In het kort
Vanaf 1-3-2026 moet het OCMW bij de bepaling van het leefloon rekening houden met de bestaansmiddelen van alle meerderjarige onderhoudsplichtigen die samenwonen met de hulpaanvrager. Dit is het gevolg van het Koninklijk Besluit van 7-1-2026 (KB).
Om recht te hebben op een leefloon moeten de bestaansmiddelen van de hulpvrager lager liggen dan het leefloontarief dat op hem van toepassing is. Via een sociaal onderzoek bepaalt het OCMW de bestaansmiddelen waarover de hulpvrager beschikt. Volgens het oude art. 34 van het KB kon het OCMW ook rekening houden met de bestaansmiddelen van de echtgeno(o)t(e), levenspartner, samenwonende ouders en de samenwonende kinderen. Het KB breidt dit nu uit naar alle meerderjarigen die samenwonen met de hulpvrager. Het betreft enkel de onderhoudsplichtigen in de zin van het Burgerlijk Wetboek:
- de echtgenoot of levenspartner (de persoon met wie de hulpvrager een feitelijk gezin vormt)
- de ouders
- de kinderen
- (nieuw) de adoptant in het kader van een gewone adoptie of een volledige adoptie
- (nieuw) het kind dat door de aanvrager werd geadopteerd in het kader van een gewone adoptie of een volledige adoptie
- (nieuw) de grootouders
- (nieuw) de kleinkinderen
- (nieuw) de schoonkinderen
- (nieuw) de schoonouders
- (nieuw) de ex-echtgenoot/echtgenote
Nieuw is ook dat het OCMW nu rekening moet houden met hun bestaansmiddelen. Daarvoor was dit geen verplichting. De bestaansmiddelen van andere samenwoners zoals broers/zussen en ooms/tantes mogen niet in aanmerking genomen worden.
Anderzijds blijft de mogelijkheid om omwille van billijkheidsredenen geen rekening te houden met de bestaansmiddelen van samenwonende onderhoudsplichtigen bestaan, bv. bij een inwonende ouder met schulden en hoge medische kosten. Het OCMW moet dit omstandig motiveren in het sociaal verslag. Het blijft ook een autonome beslissing van het OCMW.
De bestaansmiddelen van deze onderhoudsplichtigen worden berekend overeenkomstig de algemene regels. Bij de berekening van het leefloon van de aanvrager wordt echter wél rekening gehouden met de gezinsbijslagen die de samenwonende voor de aanvrager ontvangt. Ze worden dan weer niet meegerekend als de aanvrager ook recht heeft op een bijkomende zorgtoeslag voor een kind met een handicap.
Het aandeel van een onderhoudsplichtige in de bepaling van de bestaansmiddelen van de hulpvrager is het verschil tussen de bestaansmiddelen van de onderhoudsplichtige en het bedrag van het leefloon voor een samenwonende. Op deze manier blijft het principe bestaan dat elke betrokkene in het huishouden (ten minste fictief) over een leefloonbedrag voor samenwonende moet kunnen beschikken.
Het gewijzigde art. 34 heeft geen invloed op de bepaling van de behoeftigheid in het kader van maatschappelijke dienstverlening.
Meer info
- Omzendbrief van 16 januari 2026 betreffende de wijziging van artikel 34
- Koninklijk besluit van 7 januari 2026 tot wijziging van artikel 34
- Art. 34 van het Koninklijk besluit van 11 juli 2002
Officieuze vergelijking tussen het oude en nieuwe art. 34 - FAQ van 18 februari 2026 (POD MI): overgangsbepalingen en berekening bestaansmiddelen
- Primabook (POD MI): berekening van de bestaansmiddelen (deze pagina was nog niet bijgewerkt op datum van publicatie van dit nieuwsbericht)
- Leefloonwet: Wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie