Cassatie benadrukt belang van het kind in beoordeling frauduleuze erkenning

In het kort

In een arrest C.22.0474.N van 4-10-2024 verduidelijkt het Hof van Cassatie dat een rechter in de beoordeling van een afstammingsband altijd het belang van het kind concreet in de afweging moet meenemen. Een loutere verwijzing naar de kennelijk frauduleuze intentie van de erkenner volstaat niet om te concluderen dat er geen sprake kan zijn van een afstammingsband en dat het belang van het kind dus niet in het gedrang komt.

Grondwettelijk en mensenrechtelijk kader

Bij elke beslissing die het kind aangaat, behoren de belangen van het kind de eerste overweging te zijn. Dit betekent dat de rechtscolleges in een procedure die op het kind betrekking hebben, in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking moeten nemen. Belangrijk om voor ogen te houden is dat het weliswaar de eerste overweging moet zijn, maar tegelijkertijd ook niet de enige. Het belang van het kind heeft dus geen absoluut karakter. Uiteindelijk moeten alle verschillende belangen in het concrete geval afgewogen worden. 

In de beoordeling van een erkenningsprocedure, of zoals in dit geval: de beoordeling van een procedure tot vernietiging van een erkenning, moet het belang van het kind mee in de toets betrokken worden. In dat opzicht zijn artikel 7 Kinderrechtenverdrag en artikel 8 EVRM van belang. Die artikelen garanderen het recht op een identiteit, waaronder ook het recht om zijn ouders te kennen. Het vaststellen van een dubbele juridische afstammingsband kan dus één van de elementen zijn ter garantie van het belang van het kind.

Toepassing in het kader van een frauduleuze erkenning

Overeenkomstig artikel 330/1 oud BW is er geen afstammingsband in het geval van een frauduleuze erkenning, of schijnerkenning. Een erkenning is frauduleus wanneer uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van de erkenner kennelijk enkel gericht is op het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel voor zichzelf, voor het kind of voor de persoon die zijn voorafgaande toestemming moet geven.

Op basis daarvan oordeelde het Hof van Beroep van Brussel dat er geen sprake kan zijn van een afstamming indien het manifest duidelijk is dat men enkel en alleen een verblijfsrechtelijk voordeel op het oog heeft met een erkenning. Het recht om een dubbele afstammingsband te laten vaststellen lijkt daarmee evenmin van toepassing. De nietigverklaring van een erkenning kan in een dergelijk geval dus niet in strijd zijn met het belang van het kind.

Het Hof van Cassatie vernietigt dit arrest echter en stelt dat de rechter het belang van het kind zeer concreet moet afwegen. De rechter kan dus niet volstaan met het louter nagaan of bij de erkenner kennelijk de intentie ontbreekt om zijn verantwoordelijkheid op te nemen tegenover het kind. Daarmee is het belang van het kind nog niet mee in overweging genomen. Een beslissing tot vernietiging die dat niet doet, is niet voldoende gemotiveerd.