Arbeidshof Brussel: geen ‘volgend verzoek’ in België bij eerdere internationale bescherming in andere lidstaat
In het kort
In een arrest van 13-3-2025 nr. 2025/CB/2 oordeelt het Arbeidshof van Brussel in kort geding dat een verzoek om internationale bescherming (VIB) in België van iemand die al internationale bescherming in een andere EU-lidstaat geniet, geen ‘volgend verzoek’ is in de zin van artikel 4, §3, 1° van de Opvangwet en dat het recht op opvang van deze verzoekers dus niet op die grond beperkt mag worden. Het Hof herhaalt ook dat elke beperking van het recht op opvang individueel gemotiveerd moet zijn en een minimaal niveau van menselijke waardigheid moet garanderen. De Belgische Staat kan zich niet beroepen op een situatie van overmacht, terwijl verschillende andere vormen van opvang die de Opvangwet als mogelijkheid voorziet, niet aangeboden worden.
Internationale bescherming in Griekenland: verzoek om IB in België
Een Palestijnse man die eerder in Griekenland internationale bescherming kreeg, diende op 9 december 2024 een verzoek om internationale bescherming in België. In de context van de opvangcrisis werd hem geen opvangplaats toegekend. Op 13 december 2024 stelde zijn advocaat Fedasil in gebreke om een opvangplaats toe te wijzen. Op 17 december 2024 nam Fedasil een beslissing tot beperking van zijn recht op materiële hulp tot louter medische ondersteuning. De beslissing was gemotiveerd op basis van het feit dat de verzoeker al bescherming in een andere EU-lidstaat genoot en hij zich tot die lidstaat kan wenden voor de uitoefening van zijn rechten op grond van zijn beschermingsstatus.
De verzoeker diende een vordering in kort geding in tegen deze beslissing bij de voorzitter van de Arbeidsrechtbank van Brussel. Die verklaarde de vordering ongegrond bij gebrek aan de noodzakelijke dringendheid, de ‘spoedeisendheid’, om in kort geding te kunnen dagvaarden. De verzoeker was immers zelf de oorzaak van de dringende situatie. Hij had de lidstaat verlaten waar hij beroep kon doen op sociale rechten.
Tegen deze beschikking van de arbeidsrechtbank tekende de verzoeker beroep aan bij het Arbeidshof van Brussel.
Beslissing Fedasil veroorzaakt situatie behoeftigheid en urgentie, niet verzoeker
Wat de voorwaarde van spoedeisendheid betreft, stelt het Arbeidshof het volgende vast:
- De verzoeker bevindt zich in zeer precaire levenssituatie: hij beschikt over financiële middelen noch over huisvesting. Deze situatie is strijdig met de menselijke waardigheid en verantwoordt een spoedinterventie van de rechter in kort geding.
- Organisaties en verenigingen die noodopvang bieden, kunnen niet iedereen met een recht op opvang huisvesten; het is algemeen bekend dat velen van hen alsnog op straat of in bezette gebouwen verblijven. Dit wordt ook bevestigd door de duizenden veroordelingen van Fedasil in deze context. Het is onredelijk om van de verzoeker te eisen dat hij zelf aantoont dat hij geen beroep kan doen op deze diensten en dat hij effectief op straat leeft. Het Arbeidshof meent dat afdoende is aangetoond dat de verzoeker geen toegang heeft tot de door de Opvangwet minimaal vereiste opvang.
- Het feit dat de verzoeker IB geniet in Griekenland en hij zich daar op zijn sociale rechten zou kunnen beroepen, is in deze irrelevant. De vraag naar de effectiviteit van de sociale rechten in Griekenland – en dus of de verzoeker al dan niet ten onrechte een verzoek om IB indient in België - moet worden beantwoord in het kader van de asielprocedure en is niet pertinent voor de beoordeling van zijn recht op opvang.
- In een arrest van 27 december 2024 (nr. 261.887) oordeelde de Raad van State dat men niet kan stellen dat personen die IB verzoeken terwijl ze al in een andere EU-lidstaat IB genieten, zelf aan de oorsprong liggen van de urgentie die ze inroepen. Het Arbeidshof voegt toe dat verzoekers die IB kregen in een lidstaat waarvan het algemeen bekend is dat de situatie er zeer precair is, niet kan verweten worden dat ze bepaalde rechten inroepen in België in plaats van de uitoefening van hypothetische sociale rechten daar af te wachten. Het Arbeidshof benadrukt hier ook het belang van de extra kwetsbaarheid van Palestijnse verzoekers. Het Hof concludeert dat het de beslissing van Fedasil om hen uit te sluiten van opvang is die de situatie van behoeftigheid en urgentie veroorzaakt, niet de verzoeker.
Het Arbeidshof besluit dat de verzoeker zich in een situatie van verregaande materiële deprivatie bevindt, die een ernstige en actuele dreiging inhoudt voor een onmenselijke en onterende behandeling. In tegenstelling tot de voorzitter van de Arbeidsrechtbank, oordeelt het Arbeidshof dat er dus wel degelijk sprake is van een spoedeisende situatie.
Geen ‘volgend verzoek’ wanneer internationale bescherming in andere lidstaat
Fedasil beperkt het recht op materiële hulp van de verzoeker op grond van artikel 4, §1, 3° van de Opvangwet van 12 januari 2007, omdat verzoeker een ‘volgend verzoek om IB’ zou hebben gedaan. Volgens Fedasil kan een verzoek om IB in België na eerdere toekenning van IB in een andere EU-lidstaat als een ‘volgend verzoek’ worden beschouwd. Ter ondersteuning van deze motivering verwijst Fedasil naar het arrest van het Hof van Justitie (HvJ) van 19 december 2024 (C-123/23 en C-202/23).
Het Arbeidshof volgt deze redenering niet. Het HvJ stelt in dit arrest enkel dat EU-recht zich er niet tegen verzet dat nationale regelgeving dergelijke verzoeken om IB als ‘volgend verzoek’ aanduidt. De Belgische regelgeving doet dat echter niet. Het Arbeidshof wijst op verschillende elementen in de Belgisch wetgeving die wijzen op een onderscheid tussen twee categorieën: personen die in België een verzoek om IB indienen na een eerder verzoek in België (volgend verzoek) en personen die in België een verzoek om IB indienen na een eerder verzoek in een andere EU-lidstaat. Bovendien heeft verzoeker een bijlage 26 (verzoek om internationale bescherming) gekregen en geen bijlage 26quinquies (volgende verzoek om internationale bescherming) en nam het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) geen beslissing van niet-ontvankelijk binnen de termijn die de wet voorop stelt. Uit dit alles leidt het Arbeidshof af dat hier geen sprake is van een ‘volgend verzoek’ in de zin van de Vreemdelingenwet en de Opvangwet. Fedasil kan haar beslissing dus niet baseren op art. 4, §1, 3° Opvangwet om het recht op materiële hulp van de verzoeker te beperken.
Beslissing beperking materiële hulp moet individueel gemotiveerd zijn
Het Arbeidshof voegt hieraan toe dat, zelfs als er sprake zou zijn van een volgend verzoek om IB, een beperking van het recht op materiële hulp volgens de Opvangwet en rechtspraak van het Grondwettelijk Hof nog altijd moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
- De beslissing moet individueel gemotiveerd zijn en rekening houden met de specifieke situatie van de betrokkene. In de voorliggende zaak betreft het echter een gestereotypeerde motivering die de specifieke situatie van de verzoeker niet in overweging neemt. De RvV heeft nochtans recent de bijzondere kwetsbaarheid van Palestijnse verzoekers bevestigd;
- Het recht op een waardige levensstandaard moet te allen tijde gewaarborgd worden. Uit niets blijkt dat Fedasil deze vraag in overweging genomen heeft.
Geen overmacht: verzadiging opvangnetwerk
De Belgische Staat stelt dat het omwille van een situatie van overmacht niet mogelijk is om aan alle verzoekers om IB opvang te bieden vanaf het moment van hun asielaanvraag. Het Arbeidshof verwijst wat dit betreft naar rechtspraak van het HvJ, dat stelt dat de verzadiging van het opvangnetwerk niet kan verantwoorden dat van de minimale normen van opvang voor verzoekers om IB wordt afgeweken. Zelfs indien het voor Fedasil niet mogelijk is om de gewoonlijke vorm van opvang te bieden, moet worden vastgesteld dat de Belgische Staat niet in andere vormen van opvang voorziet die de Opvangrichtlijn en Opvangwet als mogelijkheid bieden (bv. noodopvang, opheffing Code 207 zodat men financiële hulp van het OCMW kan krijgen, …). Het Arbeidshof besluit dat er dus geen sprake is van een situatie van overmacht.
Gezamenlijk en hoofdelijke veroordeling Fedasil en Belgische Staat
Het Arbeidshof besluit dat het recht op materiële van de verzoeker vaststaat en dat het feit dat hij IB geniet in Griekenland niet verantwoordt dat dat recht ingeperkt wordt. Het Arbeidshof veroordeelt Fedasil en de Belgische Staat gezamenlijk en hoofdelijk om aan de verzoeker materiële hulp te bieden zoals voorzien in artikel 2, 6° Opvangwet en hem op te vangen in een aangepast opvangcentrum, of minstens in een noodopvangcentrum in de zin van artikel 18 Opvangwet, op straffe van een dwangsom van €100 per dag van niet-uitvoering, geplafonneerd op €20,000.