Arbrb Gent: KB Cumul - niet-betaling bijdrage in het verleden mag niet leiden tot beperking materiële hulp

In het kort

Het Koninklijk Besluit van 16-4-2024 (KB Cumul) bepaalt dat voor wie niet spontaan voldoet aan de bijdrageplicht, een verhoogde bijdrage kan worden opgelegd en dat de materiële hulp bij niet-betaling wordt beperkt tot medische begeleiding. De arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint‑Niklaas oordeelde op 13-5-2026 dat de bijdrageplicht wettig is en veroordeelde de verzoeker tot betaling van de gevorderde bijdrage. Wel stelde deze rechtbank vast dat de Opvangwet geen delegatie bevat die toelaat om de opvang automatisch te beperken tot medische begeleiding louter wegens niet-betaling van een bijdrage die in het verleden verschuldigd was. Er moet altijd rekening gehouden worden met de actuele situatie van de verzoeker. Deze rechtbank liet daarom artikel 13 KB Cumul buiten toepassing en vernietigde de beslissing waarbij de opvang werd beperkt tot medische begeleiding. De arbeidsrechtbank Gent volgt niet de redenering van de arbeidsrechtbanken in Luik en Brussel dat het bijdrage- en sanctiemechanisme op zichzelf ongrondwettig is.

De rechtbanken in Luik en Brussel beschouwen de bijdrage als een retributie, waarbij geen redelijk verband bestaat tussen het gevorderde bedrag en de werkelijke kost van de opvang. Bovendien bevat de Opvangwet geen delegatie die toelaat om bij KB sanctioneerbare gedragingen of de wijze van sanctionering vast te leggen bij niet-betaling van de retributie. Het KB Cumul is daarom strijdig met artikel 173 Grondwet en moet in haar geheel buiten toepassing worden gelaten. Fedasil kan daarom geen bijdrage vorderen. Lees hierover ons artikel ‘Arbrb Luik: KB Cumul – bijdrageplicht en sanctie voor asielzoekers in opvang met inkomen is onwettig’.

 

Bijdrage is een retributie die proportioneel moet zijn aan de kost van opvang

De arbeidsrechtbanken zijn alle van oordeel dat de bijdrage vervat in KB Cumul een retributie vormt in de zin van artikel 173 Grondwet:

  • De bijdrage dient geen algemeen beleidsdoel.
  • Ze vormt een compensatie voor een concrete dienstverlening door de overheid, namelijk de opvang in een opvangcentrum.
  • Er bestaat een rechtstreeks individueel voordeel voor de verzoeker om internationale bescherming.

Voor retributies geldt dat zij in redelijke verhouding moeten staan tot de geleverde dienstverlening, in dit geval de materiële opvang.

De rechtbanken van Luik en Brussel stellen vast dat:

  • de bijdrage uitsluitend wordt berekend op basis van de hoogte van het inkomen;
  • Fedasil niet aantoont wat de werkelijke of gemiddelde kost van de opvang bedraagt;
  • daardoor niet kan worden nagegaan of er een redelijk verband bestaat tussen de gevorderde bijdrage en de verleende opvang.

De arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint‑Niklaas, kwam op dit punt tot een ander besluit. De bijdrage voorzien in artikel 6 van KB Cumul – 50% van het brutoloon - kan volgens haar niet als onredelijk worden gezien in het licht van de huidige kosten voor levensonderhoud en het feit dat materiële opvang alle basisbehoeften dekt, inclusief medische kosten en sociale en psychologische begeleiding. In dit geval beschouwt de rechtbank een gemiddelde bijdrage van €1.343,55 per maand niet als onredelijk. Ze verplicht de verzoeker de bijdrage te betalen.

 

Geen sanctioneringsbevoegdheid voor Fedasil bij niet voldoen bijdrageplicht

De Opvangwet kent volgens de arbeidsrechtbanken van Brussel en Luik bovendien geen bevoegdheid toe aan de koning om een sanctie op te leggen wanneer niet aan de bijdrageplicht wordt voldaan. Desondanks voert het KB Cumul een sanctiemechanisme in waarbij verzoekers die hun inkomsten niet spontaan aangeven, 50% van het bruto-inkomen moeten afstaan. Bij gebrek aan delegatie van deze bevoegdheid door de wetgever is ook dit sanctiemechanisme onwettig.

Om bovenstaande redenen besluiten de arbeidsrechtbanken van Brussel en Luik dat het bijdragesysteem voorzien in KB Cumul in haar geheel ongrondwettig is en conform artikel 159 Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten. Bijgevolg is geen bijdrage verschuldigd.

 

Niet-betaling bijdrage in het verleden mag niet leiden tot beperking materiële hulp

De arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint‑Niklaas, oordeelt wel dat artikel 35/2 Opvangwet slechts toelaat om de materiële hulp te beëindigen wanneer een verzoeker financiële middelen verborgen houdt en daardoor – heden – ten onrechte aanspraak maakt op opvang. Wanneer in het verleden ten onrechte opvang werd genoten waarvoor geen bijdrage betaald werd, voorziet de wet enkel in een terugbetalingsverplichting ten aanzien van Fedasil.

Artikel 13 KB Cumul koppelt daarentegen automatisch de niet-betaling van de bijdrage aan de beëindiging van de opvang. Het biedt geen ruimte om rekening te houden met de actuele situatie van de verzoeker, het evenredigheidsbeginsel of de waarborg van een menswaardig bestaan. De rechtbank acht artikel 13 daarom strijdig met de Opvangwet en laat het buiten toepassing op grond van artikel 159 Grondwet. De beslissing tot beperking van de opvang, die in dit geval gebaseerd was op het feit dat de verzoeker in het verleden inkomsten had genoten waarvoor geen bijdrage was betaald, wordt vernietigd.

 

Slechts bijdrageplicht bij ‘voldoende’ bestaansmiddelen

De arbeidsrechtbank van Brussel voegt nog toe dat het 17 van de Opvangrichtlijn (2013/33) slechts toelaat om een bijdrage in ruil voor materiële opvang te vragen wanneer verzoekers over ‘voldoende”’ bestaansmiddelen beschikken. Artikel 35/1 Opvangwet, dat de bepaling van de bijdrageplicht aan de Koning delegeert, verwijst naar een bijdrageregeling voor alle verzoekers met professionele inkomsten en beperkt die delegatie niet tot verzoekers met voldoende inkomsten. Volgens de arbeidsrechtbank is het Koninklijk Besluit daarom in strijd met het Europees recht. Dit draagt bij tot haar besluit dat het KB van 16 april 2024 op grond van artikel 159 Grondwet in haar geheel buiten toepassing gelaten moet worden. 

 

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen met eindredactie van AgII-VIF