HvJ: opvangvoorzieningen mogen niet worden beperkt bij dublinoverdracht

In het kort

In arrest C-621/24 van 4-6-2026 verduidelijkt het Hof van Justitie (HvJ) dat een lidstaat de materiële opvangvoorzieningen van verzoekers om internationale bescherming niet mag beperken tot onder het minimumniveau dat de (oude) Opvangrichtlijn 2013/33/EU waarborgt, louter omdat tegen die verzoeker een uitvoerbaar overdrachtsbesluit in het kader van de (oude) Dublinverordening is genomen. De lidstaat moet tot aan de effectieve overdracht een menswaardige levensstandaard blijven garanderen. Daarnaast oordeelt het Hof dat een verzoek dat niet-ontvankelijk wordt verklaard in het kader van een dublinprocedure geen ‘volgend verzoek’ vormt. Hierdoor kunnen lidstaten zich niet op die grond beroepen om materiële opvangvoorzieningen te beperken. De uitspraak dateert van vóór de inwerkingtreding van het Migratie- en Asielpact. De vraagt rijst welke betekenis deze heeft op de situatie sinds de inwerkingtreding van het pact.

Een Afghaanse verzoeker diende in augustus 2021 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming in. Uit de Eurodac-databank bleek dat deze eerder al een verzoek in Roemenië had ingediend. Daarom verklaarden de Duitse autoriteiten zijn verzoek niet-ontvankelijk en namen zij een overdrachtsbesluit naar Roemenië. Vervolgens beperkten de Duitse instanties zijn materiële opvangvoorzieningen voor kleding, huishoudelijke gebruiks- en consumptiegoederen en de uitkering voor noodzakelijke persoonlijke behoeften. Dit is de bestreden beslissing.

De Duitse rechter stelde twee prejudiciële vragen. Ten eerste of een lidstaat de opvangvoorzieningen mag beperken voor een verzoeker ten aanzien van wie een uitvoerbaar overdrachtsbesluit is genomen. Ten tweede vroeg hij of een situatie waarin een lidstaat een verzoek niet-ontvankelijk verklaart wegens een overdrachtsbesluit onder het begrip ‘volgend verzoek’ valt.

Lidstaten blijven verplicht materiële opvang te bieden tijdens dublinprocedure

Het Hof stelt dat lidstaten verzoekers om internationale bescherming altijd een levensstandaard moeten garanderen die hun bestaansmiddelen verzekert en hun fysieke en mentale gezondheid beschermt, zoals vereist door artikel 17(2) van Opvangrichtlijn 2013/33/EU. Lidstaten moeten hiervoor materiële opvangvoorzieningen aanbieden.  Deze omvatten ten minste: 

  • huisvesting, 
  • voeding en 
  • kleding

Deze voorzieningen worden in natura of in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen verstrekt of een combinatie van deze drie, en ook een dagvergoeding.

Volgens het Hof behoren kleding, huisvesting, voedsel en lichaamsverzorging tot de meest elementaire behoeften, zodat een persoon die om internationale bescherming verzoekt niet de mogelijkheid kan worden ontnomen om in dergelijke behoeften te voorzien. De dagvergoeding biedt een verzoeker dan weer een minimum aan autonomie wat diens fysieke en mentale gezondheid beschermt.

Een beperking van materiële opvangvoorzieningen op het gebied van kleding en van de betaling van een dagvergoeding is dan ook niet verenigbaar de vereiste van een fatsoenlijke levensstandaard te voorzien voor elke verzoeker om IB.

Het Hof stelt dat de afgifte van een overdrachtsbesluit daar niets aan verandert. De verplichtingen uit de Opvangrichtlijn blijven gelden tot het moment van de effectieve overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat. Beperkingen van de materiële opvangvoorzieningen zijn enkel toegestaan in de gevallen die uitdrukkelijk zijn opgesomd in artikel 20 van de richtlijn. Het enkele feit dat een overdrachtsbesluit is genomen vormt geen geldige grond om deze voorzieningen te beperken.

Niet-ontvankelijk verzoek met overdrachtsbesluit is geen ‘volgend verzoek’

In antwoord op de tweede prejudiciële vraag verduidelijkt het Hof dat het begrip ‘volgend verzoek’ geen betrekking heeft op een situatie waarin een lidstaat een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaart omdat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling ervan op grond van de Dublinverordening.

Het Hof stelt dat een verzoek maar als een ‘volgend verzoek’ kan worden aangemerkt wanneer een lidstaat bevoegd is om dat inhoudelijk te behandelen volgens de Procedurerichtlijn. In een Dublinprocedure is dat niet het geval, aangezien de betrokken lidstaat enkel vaststelt dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek, waarover nog geen definitieve beslissing is genomen.

Een verzoek dat niet-ontvankelijk wordt verklaard met het oog op overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat kan daarom niet als een ‘volgend verzoek’ worden beschouwd. Lidstaten kunnen zich bijgevolg niet beroepen op artikel 20(1), onder c) Opvangrichtlijn om de materiële voorzieningen van de verzoeker tijdens de overdrachtsprocedure te beperken.

Impact op situatie vanaf Migratie- en Asielpact met nieuwe Opvangrichtlijn 2024/1346?

Deze uitspraak heeft nog betrekking op ‘oude’ Dublin-III Verordening en Opvangrichtlijn. Sinds de inwerkingtreding van het EU Migratie- en Asielpact, zijn de nieuwe AMMR en de vernieuwde Opvangrichtlijn 2024/1346 van kracht. Door artikel 21 van de nieuwe Opvangrichtlijn hebben verzoekers vanaf de betekening van een overdrachtsbesluit geen recht meer op werkgelegenheid, taalcursussen en beroepsopleiding en materiële opvangvoorzieningen. Deze beperking bestond nog niet in de vorige teksten. Tegelijkertijd moeten lidstaten ook na de afgifte van een overdrachtsbesluit ‘een levensstandaard waarborgen die in overeenstemming is met het Unierecht, met inbegrip van het Handvest, en internationale verplichtingen’. 

In dit arrest stelt het HvJ dat een beperking van materiële opvangvoorzieningen op het gebied van kleding en van de betaling van een dagvergoeding niet verenigbaar is met de minimumvereiste van een ‘fatsoenlijke levensstandaard’. Het is onduidelijk of de nieuwe verplichting voor lidstaten om een ‘levensstandaard in overeenstemming met het Unierecht, met inbegrip van het Handvest, en internationale verplichtingen, te waarborgen’  in het kader van artikel 21 nieuwe Opvangrichtlijn 2024/1346/EU overstemt met deze interpretatie van het HvJ, of deze nog van toepassing in het kader van de vernieuwde Opvangrichtlijn.