Hoorrecht bij einde verblijf: ambtshalve schrapping ontslaat DVZ niet van verplichting om betrokkene te horen

In het kort

Wanneer de minister of Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) een verblijfsrecht van meer dan drie maanden wil beëindigen of intrekken, geldt een hoorrecht volgens de Vreemdelingenwet. De minister of DVZ moet de betrokkene niet horen wanneer hij ‘onbereikbaar’ is. Het loutere feit dat betrokkene ambtshalve werd geschrapt, volstaat niet. Ook in het geval van een ambtelijke schrapping moet de minister of DVZ concrete stappen zetten om de betrokkene te informeren.

Hoorrecht in de praktijk

In deze zaak (RvV 26 november 2024, nr. 317.327) besliste DVZ een einde te maken aan het verblijfsrecht van een Angolese vrouw die in april 2021 in het bezit was gesteld van een F kaart. DVZ verwees naar de officiële stopzetting van de wettelijke samenwoning, het feit dat deze geen drie jaar had geduurd en dat er geen sprake was van intrafamiliaal geweld. Verwijzend naar het feit dat de vrouw ambtelijk werd geschrapt en dus geen (officieel) gekend adres had, oordeelde DVZ dat het voor hen onmogelijk was om betrokkene te verzoeken haar individuele situatie te lichten. DVZ was dus van mening dat het een beslissing kon nemen zonder betrokkene te horen.

Uit het arrest van de Raad van State van 26 november 2024 blijkt dat hoewel de wet een aantal uitzonderingen voorziet op het recht om te worden gehoord, deze restrictief moeten worden geïnterpreteerd. Wat de uitzondering op het hoorrecht betreft in de situatie waarin de betrokkene ‘onbereikbaar’ is, verwijst de RvV naar de voorbereidende werken en rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (18 juli 2019, nr. 112/2019). Hieruit blijkt zeer duidelijk dat de ‘onbereikbaarheid’ van de betrokkene veronderstelt dat het bestuur getracht heeft om betrokkene te informeren met een schriftelijk bericht of door bemiddeling van de gemeente of de politie, maar dat het daar niet in slaagt. Het komt de RvV toe om na te gaan of DVZ wel de gepaste middelen heeft aangewend om de betrokkene te bereiken.

In casu had mevrouw een contract afgesloten met Bpost waardoor haar post automatisch werd doorgestuurd naar haar nieuwe verblijfplaats. Had DVZ een brief gestuurd naar haar laatst gekende (officiële) adres, dan had DVZ aan zijn verplichting voldaan.

Aangezien DVZ in dit dossier geen enkele concrete actie heeft ondernomen om mevrouw te bereiken, oordeelde de RvV dat haar hoorrecht werd geschonden. Ook in geval van ambtelijke schrapping rust op DVZ de verplichting om concrete stappen te ondernemen om de betrokken persoon te informeren over zijn recht om te worden gehoord.