Bij niet-inoverwegingneming humanitaire regularisatie 9bis kan je betaalde retributie terugvorderen
In het kort
Om een ontvankelijke humanitaire regularisatie 9bis (aanvraag 9bis) in te dienen, moet je een retributie betalen. In de praktijk rees de vraag of je na een niet-inoverwegingneming door de gemeente na een negatieve woonstcontrole de betaalde retributie kunt terugvorderen. Omdat er in dit geval geen behandeling door de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) is die in redelijke verhouding staat tot de hoogte van de retributie, gaat om een onverschuldigde betaling. Je kan het bedrag dus van de DVZ terugvorderen via het formulier ‘aanvraag tot terugbetaling van een onterecht betaalde bijdrage’ op zijn website. Als je een tweede aanvraag 9bis wil opstarten na de niet-inoverwegingneming aanvaardt de DVZ in de praktijk dat je verwijst naar de eerder betaalde retributie. Je hoeft dan niet terug te vorderen en opnieuw te betalen.
Eenzelfde redenering kan je toepassen wanneer het gewest bij een aanvraag van een gecombineerde vergunning de toegang tot de arbeidsmarkt weigert. DVZ lijkt in deze situatie ook geen dienst te leveren die in redelijke verhouding staat tot de betaalde retributie. Ook in dat geval lijkt de retributie onverschuldigd.
Wettelijk kader voor retributies bij verblijfsaanvragen
Overheden kunnen conform artikel 173 van de Grondwet alleen een retributie vorderen wanneer dat wordt voorzien door een wet of een decreet. Bovendien kan dat enkel wanneer het gaat over de vergoeding van een dienst die aan de betalende burger wordt voorzien. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat een retributie ‘een louter vergoedend karakter' heeft, zodat er een redelijke verhouding moet bestaan tussen de kostprijs of de waarde van de verstrekte dienst en het bedrag dat de heffingsplichtige verschuldigd is.’ Is dat niet het geval, dan is er sprake van een belasting.
De wettelijke grondslag voor het vorderen van een retributie bij verblijfsaanvragen bevindt zich in artikel 1/1, §1 Vw. Dit artikel bepaalt dat de vreemdeling voor een verblijfsaanvraag een retributie moet betalen die de administratieve kosten ervan dekt. De retributies worden betaald aan de FOD Binnenlandse Zaken, Dienst Vreemdelingenzaken. Bij niet-betaling is de aanvraag onontvankelijk. In 2015 werden de retributies bepaald in het koninklijk besluit van 16 februari 2015. Lees hierover ons bericht 'Bijdrage in administratieve kost voor verblijfsaanvragen vanaf 2 maart 2015'.
De Raad van State (RvS) vernietigde deze bepalingen echter in de arresten 245.403 en 245.404 van 11 september 2019, omdat de bedragen volgens de Raad niet in redelijke verhouding stonden tot de effectieve kost van de geleverde dienst. Lees hierover ons bericht 'Raad van State vernietigt retributie verblijfsaanvragen'.
Met het koninklijk besluit (KB) van 9 februari 2022 kwam de Belgische staat tegemoet aan de kritiek van de Raad van State. Het voegde een (nieuw) artikel 1/1/1 in het Vreemdelingenbesluit in, die voor elke verblijfsprocedure een retributie bepaalt. Die zijn gebaseerd op een studie die de administratieve lasten per type verblijfsaanvraag berekende. Voor de verblijfsprocedure op basis van artikel 9bis Vw werd de retributie op 313 euro bepaald, met jaarlijkse indexering: voor 2026 is het 377 euro. Lees hierover ons bericht 'Bijdrage in administratieve kost voor verblijfsaanvragen vanaf 26 mei 2022'.
Tweede retributie bij nieuwe aanvraag 9bis na negatieve woonstcontrole en niet-inoverwegingneming eerste aanvraag?
Wanneer de gemeente een verblijfsaanvraag ontvangt op basis van artikel 9bis Vw, moet zij een woonstcontrole uitvoeren. Als de woonstcontrole negatief is, neemt de gemeente de aanvraag ‘niet in overweging’ (bijlage 2) en stuurt het aanvraagdossier niet door naar de DVZ. Wel stuurt de gemeente een kopie van de beslissing tot niet-inoverwegingneming (bijlage 2) naar de DVZ. In dit geval gaat het dus niet om een onontvankelijkheidsbeslissing maar om een niet-inoverwegingneming.
Als je na de niet-inoverwegingneming geen nieuwe aanvraag 9bis wil opstarten, kan je de betaalde retributie terugvorderen. Het gaat dan immers om een onverschuldigde betaling. De behandeling van het dossier 'eindigt' bij de gemeente, die bepaalde diensten leverde (in ontvangstname, woonstcontrole), en het dossier ging niet voor behandeling door naar de DVZ. De DVZ levert dan ook geen dienst die een retributie rechtvaardigt, terwijl hij die wel ontving.
Nadat je eerste verzoek niet in overweging werd genomen kun je een nieuwe verblijfsaanvraag op basis van artikel 9bis Vw opstarten. Je moet dan voor een ontvankelijke aanvraag in principe ook een nieuwe retributie betalen. Maar in de praktijk aanvaardt de DVZ dat je verwijst naar de retributie die je betaalde bij de eerdere aanvraag. Je hoeft dus niet terug te vorderen en een tweede retributie te betalen.
Analogie voor terugvordering bij aanvraag gecombineerde vergunning
Ook bij andere verblijfsaanvragen kan het voorkomen dat de retributie onverschuldigd is. In het geval van een niet-inoverwegingneming van een aanvraag 9bis na een negatieve woonstcontrole levert de gemeente wel een dienst aan de burger maar niet de DVZ.
Bij aanvragen van een gecombineerde vergunning bijvoorbeeld moet het gewest de toelating tot de arbeidsmarkt eerst beoordelen vooraleer de verblijfsaanvraag door de DVZ beoordeeld wordt. In het geval dat het gewest negatief (onontvankelijk of ongegrond) oordeelt, is dit het eindpunt van de procedure. De aanvrager kan eventueel nog in beroep gaan bij de Raad van State of bij de bevoegde minister. De DVZ levert geen diensten aan de burger die een retributie rechtvaardigt. Ook in zulke gevallen gaat het om een onverschuldigde betaling waarbij de DVZ verplicht lijkt om de retributie terug te betalen.
Terugbetaling retributie en beroepsmogelijkheid
De onverschuldigde betaling moet door de ontvanger terugbetaald worden. Navraag leert ons dat de DVZ dit niet spontaan doet maar alleen op uitdrukkelijk verzoek. Je moet dus zelf uitdrukkelijk om terugbetaling vragen via het formulier ‘aanvraag tot terugbetaling van een onterecht betaalde bijdrage’ dat DVZ op zijn website ter beschikking stelt. De verjaringstermijn voor het terugvorderen van een onverschuldigde betaling bedraagt 10 jaar.
Mocht de DVZ de aanvraag om terugbetaling weigeren, kan je na formele, aangetekende ingebrekestelling via een beroep bij de rechtbank van eerste aanleg het bedrag terugvorderen.
Meer info
- Art. 1/1 Verblijfswet
- Art. 1/1/1 Verblijfsbesluit
- Art. 5.115 tot 5.122, 5.134, 5.195 Burgerlijk Wetboek (onverschuldigde betaling)
- Art. 2262bis §1 Burgerlijk Wetboek (verjaringstermijn van 10 jaar)
- Grondwettelijk Hof 19 november 2015, nr. 162/2015
- Raad van State 11 september 2019, nr. 245.403
- Raad van State 11 september 2019, nr. 245.404