HvJ: tijdelijke bescherming geen grond voor weigering subsidiaire bescherming
In het kort
Geen enkele bepaling uit het unierecht beperkt het recht op subsidiaire bescherming voor tijdelijke beschermden. Een lidstaat kan een verzoek om internationale bescherming (VIB) dus niet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaren op de enkele grond dat het is ingediend door iemand met tijdelijke bescherming. Dat stelt het Hof van Justitie in arrest C-195/2 van 20-11-2025.
De vraag rijst of de praktijk van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen om verzoeken om internationale bescherming van tijdelijke beschermden op te schorten bij een ‘onbeperkte’ verdere verlenging van de tijdelijke bescherming wel in overeenstemming is met het recht om asiel te vragen.
Het Hof van Justitie stelt in het arrest Framholm dat tijdelijke bescherming ervoor moet zorgen dat mensen snel een eerste vorm van bescherming krijgen. Zij moeten tegelijk altijd de mogelijkheid houden om internationale bescherming te vragen en te krijgen na een passend onderzoek van hun individuele situatie. Dit onderzoek bestaat uit een onderzoek naar de vluchtelingenstatus en vervolgens naar subsidiaire bescherming.
Als iemand voldoet aan de voorwaarden voor subsidiaire bescherming zoals bepaald in de Kwalificatierichtlijn moet de lidstaat die bescherming verlenen. De enige uitzonderingen zijn de in deze richtlijn voorziene uitsluitingsgronden en in de Procedurerichtlijn genoemde gronden voor niet-ontvankelijkheid. Het Hof bevestigt bovendien dat deze principes rechtstreekse werking hebben. De lidstaten beschikken hierin ook niet over een discretionaire bevoegdheid.
Wat met schorsing VIB in België?
Op dit moment is deze vraag niet aan de orde in België. De behandeling van alle VIB van tijdelijk beschermden is namelijk geschorst voor de duur van de tijdelijke bescherming. Het Commissariaat-Generaal behandelt deze verzoeken dus niet. De wettelijke basis hiervoor is artikel 51/9 Verblijfswet, maar het is onduidelijk van welk artikel uit de Tijdelijke beschermingsrichtlijn dit een omzetting is. Daarnaast rijst de vraag of een dergelijke schorsing, zeker bij een ‘onbeperkte’ verdere verlenging van de tijdelijke bescherming, in overeenstemming is met het recht om asiel te vragen. Dit fundamenteel recht houdt niet enkel de mogelijkheid in om je VIB in te dienen, maar ook een recht op de behandeling ervan binnen een redelijke termijn. Er is een Nederlandse prejudiciële vraag hangende bij het Hof van Justitie waarbij de vraag gesteld werd of een lidstaat de behandeling van het VIB wel mag schorsen voor de duur van de tijdelijke bescherming . Wanneer deze uitspraak er is, zullen we hierover een nieuwsbericht schrijven op onze website.