Joke Kusters
HvJ: ontbreken mogelijkheid tot wijziging genderidentiteit strijdig met Unierecht
In het kort
In het arrest Shipova van 12-3-2026 spreekt het Hof van Justitie (HvJ) zich uit over een prejudiciële vraag betreffende genderidentiteit. Het Hof oordeelt dat een nationale regeling die geen mogelijkheid biedt om het geslacht in een akte van de burgerlijke stand te wijzigen, onverenigbaar is met het Unierecht.
Geen mogelijkheid tot wijziging volgens Bulgaars recht
In dit geval gaat het om een Bulgaars onderdaan die bij de geboorte als man werd geregistreerd, maar zich identificeert en leeft als vrouw. Ze verblijft inmiddels in Italië en wordt vaak geconfronteerd met de moeilijkheden die voortvloeien uit het feit dat haar identiteitsdocumenten betrekking hebben op een persoon van het mannelijk geslacht.
Om dit te verhelpen dient ze een verzoek in bij de Bulgaarse rechter om haar geslacht en voornaam te wijzigen, en haar Bulgaarse geboorteakte aan te passen. De Bulgaarse rechter willigt dat verzoek echter niet in. Volgens het Bulgaarse recht kan het geslacht in een akte van de burgerlijke stand immers enkel worden gewijzigd als er sprake is van een lichamelijke verandering, psychologische gronden volstaan niet. Het Bulgaarse Hof van Cassatie had eerder reeds geoordeeld dat het begrip ‘geslacht’ in de Bulgaarse wettelijke context enkel in de puur biologische zin kan worden opgevat.
Wanneer de vraag voor de tweede maal bij het Bulgaarse Hof van Cassatie wordt voorgelegd, stelt die een prejudiciële vraag aan het HvJ. Centraal staat de vraag of een nationale regeling die de mogelijkheid uitsluit om het geslacht van een persoon die zich als transgender identificeert, te wijzigen, verenigbaar is met het Unierecht.
Genderidentiteit en het recht op vrij verkeer
Eerder oordeelde het HvJ in haar arrest van 4 oktober 2024 al dat lidstaten op grond van het recht op vrij verkeer verplicht zijn om een in een andere lidstaat rechtmatig verkregen voornaams- en/of genderidentiteitswijziging te erkennen en in te schrijven in de geboorteakte. Een nationale regeling die een dergelijke erkenning en inschrijving niet toestaat en de betrokkene verplicht om een nieuwe, gerechtelijke procedure tot wijziging van zijn genderidentiteit in te stellen in de lidstaat van herkomst, schendt het recht op vrij verkeer.
In dit geval is de vraag echter niet of zulke wijziging erkend moet worden, maar of het Unierecht ook zover gaat dat het de lidstaten verplicht om een procedure tot wijziging van gendergegevens mogelijk te maken, hoewel de organisatie van de burgerlijke stand in beginsel tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort.
Artikel 8 EVRM en artikel 7 Handvest
In ieder geval moet een zo’n onmogelijkheid als strijdig worden beschouwd met het recht op eerbiediging van iemand privé- en familieleven. Het HvJ verwijst daarvoor uitvoerig naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over artikel 8 EVRM, dat het recht op eerbiediging van het privé- en familieleven waarborgt. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM maakt genderidentiteit integraal deel uit van het privéleven.
Daaruit vloeien voor staten ook positieve verplichtingen voort: zij moeten voorzien in doeltreffende en toegankelijke procedures die de juridische erkenning van genderidentiteit mogelijk maken waarmee gendergegevens op snelle, transparante en toegankelijke wijze kunnen worden aangepast in officiële documenten. Het EHRM heeft bovendien geoordeeld dat die erkenning niet afhankelijk mag worden gesteld van een chirurgische ingreep die de betrokkene niet wenst te ondergaan. Gelet op het fundamentele karakter van het recht beschikken lidstaten hierin slechts over een beperkte beoordelingsmarge.
Specifiek over Bulgarije oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) al in 2022, in de zaak P.H. tegen Bulgarije, dat de Bulgaarse regeling onverenigbaar is met artikel 8 EVRM.
Het HvJ benadrukt vervolgens dat artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie eveneens het recht op eerbiediging van het privé- en familieleven beschermt, en dat deze bepaling dezelfde reikwijdte heeft als artikel 8 EVRM. Een nationale regeling die geen wijziging van gendergegevens mogelijk maakt, is daarom eveneens strijdig met de door artikel 7 Handvest gewaarborgde grondrechten van transgenderpersonen.
Samenhang met artikel 21 VWEU
Aangezien de betrokkene in dit geval haar recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend door zich in Italië te vestigen, is artikel 21 VWEU van toepassing. En volgens het HvJ waarborgt de de Bulgaarse regeling de effectieve uitoefening van daarin verleende rechten niet naar behoren. Het Hof wijst erop dat een verschil tussen de beleefde genderidentiteit van een persoon en de gendervermelding op officiële identiteitsdocumenten in de praktijk belangrijke hinderpalen kan veroorzaken voor het vrij verkeer binnen de Unie. Bij identiteitscontroles, grensoverschrijdende verplaatsingen of in professionele contexten kan de betrokkene herhaaldelijk geconfronteerd worden met vragen over zijn of haar identiteit of de juistheid van de voorgelegde documenten. Het feit dat iemand verplicht wordt om twijfels te moeten wegnemen omtrent zijn of haar identiteit of met betrekking tot de echtheid van zijn of haar identiteitsdocument kan wel degelijk een belemmering zijn voor de uitoefening van het recht op vrij verkeer.
Het Hof besluit dan ook dat een nationale regeling die niet voorziet in de mogelijkheid om de gendergerelateerde identiteitsgegevens — zoals geslacht en voornaam— te wijzigen van een onderdaan die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer, strijdig is met artikel 21 VWEU en artikel 4, lid 3, van Richtlijn 2004/38, gelezen in het licht van artikel 7 van het Handvest.
Tot slot preciseert het HvJ dat nationale rechters niet gebonden zijn door een eerdere interpretatie van het begrip ‘geslacht’ door het Bulgaarse Hof van Cassatie wanneer die interpretatie de hiermee conforme toepassing van het Unierecht onmogelijk maakt.