Voorwaarden gezinshereniging wettelijke partner derdelander A kaart (restcategorie)
Voorwaarden en documenten
Je moet 218 euro betalen als bijdrage in de administratieve kosten voor de behandeling van je aanvraag. Tenzij je vrijgesteld bent. Lees meer over vrijstellingen en procedure retributie.
Jijzelf, of een derde persoon, schrijft dit bedrag over op bankrekening BE57 6792 0060 9235 van de Dienst Vreemdelingenzaken.
In de mededeling vermeld je je naam, voornaam, geboortedatum en nationaliteit. Voor de mededeling moet je volgende structuur gebruiken: NaamVoornaamNationaliteitDDMMJJJJ.
Je bewijst dat je de retributie betaald hebt met een bewijs van betaling, zoals een rekeninguittreksel of een stortingsbewijs met stempel van de post.
Je moet je identiteit bewijzen. Dat doe je normaal met een door België erkend reisdocument (bv. paspoort). Je reisdocument moet nog minstens 12 maanden geldig zijn op het moment van de afgifte van het visum gezinshereniging. Het visum D gezinshereniging is zelf ook 12 maanden geldig. De geldigheidsduur van het reisdocument mag dus niet korter zijn dan de geldigheidsduur van het visum.
Je moet een kopie voorleggen van de verblijfsvergunning van de referentiepersoon die je wil vervoegen. Of minstens een kopie van de machtiging tot verblijf van de referentiepersoon, al dan niet in combinatie met een bijlage 15.
Je bent de wettelijk geregistreerde partner.
Wat is een wettelijk geregistreerde partner?
Heb je een buitenlands geregistreerd partnerschap? Dan moet je de akte eventueel laten legaliseren of voorzien van een apostille. Ga dit na op de website van de FOD Buitenlandse zaken. Als de akte in een andere taal opgesteld is dan het Nederlands, Frans, Duits of Engels, moet een beëdigd vertaler de akte vertalen. De Belgische ambassade werkt samen met een aantal beëdigde vertalers. Contacteer de ambassade om te weten op welke vertalers je beroep kan doen.
Let op! Je buitenlandse akte moet ook overgeschreven worden in de registers van de Belgische gemeente waar je partner woont. Dat kan alleen als de akte vertaald is in de taal van die gemeente (zoals bepaald door de Belgische taalwetgeving). Voorbeeld: een Zuid-Afrikaanse akte opgesteld in het Engels kan je gebruiken om een visum gezinshereniging aan te vragen. Maar om de akte te laten overschrijven in Antwerpen, moet de akte vertaald worden naar het Nederlands.
Als je geen officiële akte kan voorleggen, kan DVZ rekening houden met ‘andere geldige bewijzen’.
Voorbeelden van andere geldige bewijzen zijn:
- een notariële akte, gehomologeerd door de bevoegde overheid
- een nationale identiteitskaart die het partnerschap vermeldt
- uittreksel van de partnerschapsakte
- een vervangend vonnis
De omstandigheid dat je geen officiële documenten kan voorleggen moet ontstaan zijn onafhankelijk van je wil. Dat is zo in de volgende gevallen:
- België erkent het betrokken land niet.
- Je persoonlijke situatie is moeilijk verzoenbaar met een terugkeer naar de betrokken staat of met een contact met zijn overheden.
Soms maakt de interne situatie van het betrokken land het niet mogelijk om een officiële akte voor te leggen, doordat:
- de documenten vernietigd werden en er geen enkel ander middel bestaat om ze te vervangen.
- de bevoegde nationale overheden niet naar behoren functioneren.
- de bevoegde nationale overheden niet meer bestaan.
Als je ook geen ‘andere geldige bewijzen’ kan voorleggen, kan DVZ of de Belgische ambassade je uitnodigen voor een gesprek en kan DVZ overgaan tot elk ander onderzoek dat het nodig vindt. Als er gemeenschappelijke kinderen zijn stelt DVZ soms voor om een DNA-analyse uit te voeren om de verwantschap tussen de ouders te bewijzen.
België moet het buitenlands geregistreerd partnerschap ook (willen) erkennen. In principe gebeurt dat de plano door de Belgische overheid aan wie de akte voorgelegd wordt (bv. DVZ of de gemeente). 'De plano' wil zeggen: elke overheid kan autonoom over de erkenning oordelen zonder dat er eerst een procedure voor de rechter gevoerd moet worden. In de praktijk gaat de erkenning vaak gepaard met een onderzoek naar schijnpartnerschap.
> Wil je een familiesituatie die je in het buitenland geregeld hebt, in België laten erkennen?
> Lees meer over de erkenning van een buitenlands partnerschap.
Je moet bewijzen dat je een duurzame en stabiele partnerrelatie hebt met je partner. Dat is het geval wanneer je:
- gedurende minstens 1 jaar, voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken en op wettige wijze in België of een ander land samenwoonde, of
- elkaar ten minste 2 jaar kent en bewijst dat je regelmatig, telefonisch, via briefwisseling of elektronische berichten met elkaar contact onderhield. Binnen die 2 jaar moet je mekaar minstens driemaal ontmoet hebben en die ontmoetingen moeten in totaal 45 of meer dagen betreffen, of
- een gemeenschappelijk kind hebt.
Volgens richtlijnen van de Europese Commissie moet België voor het bewijs van de 'duurzaamheid' van de relatie ook andere relevante bewijzen in aanmerking nemen, bijvoorbeeld een gemeenschappelijke lening om een huis te kopen.
Jij en je partner moeten beiden ouder zijn dan 21 jaar. Je bewijst dat met je paspoort of geboorteakte.
De leeftijd wordt teruggebracht tot 18 jaar, als je aantoont dat jij en je wettelijk geregistreerde partner al 1 jaar samenwoonden vooraleer je aankwam in België.
Jij en je partner mogen niet gehuwd zijn. Jullie mogen ook geen duurzame en stabiele partnerrelatie hebben met iemand anders.
Je mag geen familie zijn van je partner. Niet alle familieleden zijn uitgesloten. Alleen de volgende verwante partners komen niet in aanmerking voor gezinshereniging:
- (schoon)(groot)ouders en (schoon)(klein)kinderen,
- broers en/of zussen,
- oom/tante en nicht/neef
Er werd ten aanzien van jou of je partner nooit een definitieve weigeringsbeslissing om te huwen genomen. Het kan gaan om een huwelijk met elkaar, maar ook om een huwelijk met iemand anders.
Een weigeringsbeslissing is definitief als:
- je geen beroep bij de rechtbank aantekende (Grondwettelijk Hof 26 september 2013, nr. 121/2013).
- je een beroep bij de rechtbank aantekende en de rechtbank de weigeringsbeslissing bevestigde.
Als je een beroep bij de rechtbank aantekende en de rechtbank vernietigde de weigeringsbeslissing, dan is er geen definitieve weigeringsbeslissing.
De gezinshereniger die je komt vervoegen moet stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen hebben om zichzelf en zijn gezin te onderhouden en niet ten laste te vallen van de sociale bijstand. Volgens de Verblijfswet is dat zeker het geval als de gezinshereniger stabiele en regelmatige bestaansmiddelen heeft van minstens 120% van het leefloon tarief ‘persoon met een gezin ten laste’. Het bedrag is gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen. Momenteel bedraagt het
2.173,88 euro netto/maand
Onder dit bedrag mag DVZ de aanvraag gezinshereniging niet automatisch weigeren. DVZ moet eerst een individuele behoefteanalyse maken om te bepalen welke bestaansmiddelen jullie gezin nodig heeft om te voorzien in jullie behoeften, zonder (structureel) ten laste te vallen van de sociale bijstand. Dit volgt uit het arrest Chakroun. Je bezorgt dan best bij je aanvraag gezinshereniging alle nuttige gegevens zodat DVZ de financiële toestand van je gezin kan beoordelen. Geef bijvoorbeeld een gedetailleerd overzicht van de maandelijkse inkomsten en uitgaven en toon aan waarom je gezin niet ten laste zal vallen van de sociale bijstand ondanks het feit dat jullie inkomen lager ligt dan 120% van het leefloon.
Als de gezinshereniger aantoont dat hij een inkomen heeft dat gelijk is aan of hoger dan het wettelijke referentiebedrag, dan hoef je geen bijkomende bewijzen toe te voegen. Dit volgt uit rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.
Richtlijn 2003/86/EG
De inkomensvereiste komt voort uit EU-richtlijn 2003/86/EG over gezinshereniging met derdelanders. Volgens de richtlijn mogen lidstaten het bewijs vragen van “stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om het gezin te onderhouden, zonder een beroep te doen op de sociale bijstand van de gastlidstaat”. Volgens het HvJ gaat dit niet om bijzondere, individueel bepaalde of occasionele sociale bijstand maar om algemene, structurele sociale bijstand. In België kan een gezin met een inkomen van minstens 100% van het leefloon tarief ‘persoon met een gezin ten laste’ niet structureel ten laste vallen van de sociale bijstand in de zin van de richtlijn, zoals geïnterpreteerd door het HvJ.
Belgische Verblijfswet en praktijk DVZ
Volgens de Belgische Verblijfswet heeft de gezinshereniger toereikende bestaansmiddelen wanneer hij een inkomen heeft van minstens 120% van het leefloon tarief ‘persoon met gezin ten laste’
De volgende inkomsten zijn volgens de Verblijfswet uitgesloten en tellen niet mee voor de berekening van de bestaansmiddelen:
- leefloon
- maatschappelijke dienstverlening
- gezinsbijslag
- wachtuitkering
- overbruggingsuitkering
- werkloosheidsuitkering, tenzij de gezinshereniger bewijst dat hij of zij actief werk zoekt. De gezinshereniger moet niet bewijzen dat hij actief op zoek is naar werk als hij vrijgesteld is van de verplichting om beschikbaar te zijn op de arbeidsmarkt, conform artikel 89 en 98bis van het koninklijk besluit werkloosheidsreglementering van 25 november 1991. Dit volgt uit rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.
Het moet gaan om stabiele en regelmatige bestaansmiddelen. Om die reden weigert DVZ vaak inkomsten uit:
- interimarbeid (tenzij bij een ononderbroken tewerkstelling van minstens één jaar of na een periode van werkloosheid)
- tijdelijke arbeidsovereenkomsten
- een 'artikel 60 tewerkstelling'
DVZ vraagt dat je bij voorkeur bewijzen overmaakt van bestaansmiddelen van de laatste 12 maanden.
Je kan toereikende en stabiele bestaansmiddelen o.m. bewijzen met:
- loonfiches
- maaltijdcheques
- netto huurinkomsten. Hoe dit precies berekend wordt vind je op de website van DVZ.
- het meest recente aanslagbiljet in de personenbelasting
- een arbeidscontract
- rekeninguittreksels
- pensioenfiches
- bewijzen van het actief zoeken naar werk, in combinatie met het bewijs van de werkloosheidsuitkering
- inkomsten uit een zelfstandige activiteit moeten met specifieke documenten bewezen worden. Je vindt een gedetailleerd overzicht van de vereiste bewijzen op de website van DVZ.
DVZ houdt alleen rekening met de eigen bestaansmiddelen van de gezinshereniger die je komt vervoegen en dus niet met jouw inkomsten of eventuele inkomsten van derden. Deze praktijk staat op gespannen voet met rechtspraak van het Hof van Justitie. Uit een arrest van de Raad van State volgt dat DVZ ook rekening moet houden met inkomsten die de referentiepersoon ontvangt van een familielid, bv. via een doorlopende opdracht.
Voor meer info, lees ons rechtspraakoverzicht over de bestaansmiddelenvoorwaarde bij gezinshereniging.
Afwijking voor gezin langdurig ingezetene in andere EU-lidstaat met tweede verblijf in België
Heeft de gezinshereniger de status van langdurig ingezetene in een andere lidstaat van de EU? Dan houdt DVZ, bij de beoordeling van de stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen, ook rekening met jouw inkomsten als je voldoet aan de volgende voorwaarden :
- de gezinshereniger heeft, in zijn hoedanigheid van langdurig ingezetene in een andere EU-lidstaat, in België een machtiging tot verblijf gevraagd of gekregen als houder van bestaansmiddelen en een ziekteverzekering, en
- jullie vormden al een gezin in die andere lidstaat van de EU, en
- je legt de verblijfstitel voor die je had in de andere EU-lidstaat en het bewijs dat je in die andere EU-lidstaat verbleef als gezinslid van een langdurig ingezetene.
REFERENTIEBEDRAG
Het referentiebedrag wordt gebaseerd op het gemiddeld gewaarborgde minimum maandinkomen (GGMMI) . Je zal netto over 110% van het GGMMI moeten beschikken als 1 gezinslid een aanvraag tot gezinshereniging doet. Momenteel is dit:
2.408,79 euro netto/maand
Dit basisbedrag wordt verhoogd met 10% per gezinslid ten laste, in België en in het buitenland. DVZ beschouwt de 110% van het GGMMI als het basisbedrag.
Om dit te beoordelen zal DVZ in elk dossier onderzoeken welke gezinsleden als ten laste beschouwd moeten worden. DVZ zal het rijksregister of andere databanken consulteren.
- De gezinsleden die vanuit het buitenland komen worden steeds beschouwd als ten laste door DVZ, zij beschouwen dit als een onweerlegbaar vermoeden, ongeacht de bestaansmiddelen die deze personen zouden voorleggen indien zij nog steeds een inkomen zouden hebben nadat zij zich in België zouden vestigen.
- Minderjarige inwonende kinderen worden ook steeds als ten laste beschouwd, al kan bij co-ouderschap rekening gehouden worden met de concrete situatie (DVZ zal hiermee rekening houden bij de uitvoering van de behoefteanalyse).
- Meerderjarige inwonende personen:
- Bij inwonende volwassenendie verwant zijn aan de referentiepersoon wordt nagegaan of zij voorzien in hun eigen onderhoud, ongeacht of zij afhankelijk zijn van de sociale bijstandsstelsels. Dit is het geval ongeacht de graad van verwantschap. Er is geen specifiek bedrag dat zij moeten verdienen om niet als ten laste beschouwd te worden, dit zal in concreto beoordeeld worden.
- Inwonende volwassenen die niet verwant zijn aan de referentiepersoon worden niet beschouwd als ten laste. DVZ raadt aan dat je hen informeert indien een inwonende volwassene niet verwant is.
Voorbeeld: de referentiepersoon verblijft alleen in België en zijn partner en twee minderjarige kinderen doen een aanvraag gezinshereniging. Het referentiebedrag is 110% (vb. als enkel partner vraagt om gezinshereniging) + 20% van 110% van het GGMMI(10% per kind dat vraagt om gezinshereniging te genieten).
De uitzondering op de bestaansmiddelenvereiste blijft behouden bij begunstigden van internationale bescherming, staatlozen en tijdelijk beschermden (in zoverre er een bestaansmiddelenvereiste van toepassing is voor deze personen) wanneer enkel minderjarige of meerderjarige kinderenmet een handicap de referentiepersoon vervoegen.
BEHOEFTEANALYSE
Als je het referentiebedrag niet kan aantonen, kan je een behoefteanalyse vragen. De bewijslast voor de behoefteanalyse ligt echter volledig bij de aanvrager . De overheid (DVZ) heeft niet meer de plicht om stukken op te vragen. De aanvrager moet bij de aanvraag op eigen initiatief stukken voorleggen die aantonen dat het gezin genoeg bestaansmiddelen heeft om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Je kan dat als aanvrager doen met alle bewijsmiddelen, documenten en inlichtingen.
Zo kan je in het kader van de behoefteanalyse het (gemiddeld) maandelijks inkomen voorleggen van de referentiepersoon. Daarnaast leg je bewijzen voor van de uitgaven van de referentiepersoon, met bewijsstukken zoals facturen van allerhande betalingen zoals verzekeringen (brandverzekering, autoverzekering, hospitalisatieverzekering etc.), huurlasten of hypotheekaflossingen, facturen voor water, gas en elektriciteit, internet- en GSM-facturen, belastingen, mobiliteit (openbaar vervoer, auto), uitgaven aan dagelijkse kosten zoals supermarkten, bijvoorbeeld op basis van rekeninguittreksels, vrije tijdsuitgaven, kledij, vakantie etc.
DVZ neemt in het kader van de behoefteanalyse ook bewijsstukken mee zoals een simulatie, gemaakt door de werkgever, van de toekomstige wedde van de referentiepersoon. Als de referentiepersoon (een) pers(o)on(en) ten laste zal hebben bij goedkeuring van de aanvraag gezinshereniging, zal diens nettoloon immers hoger zijn dan op het ogenblik dat deze gezinsleden nog niet ten laste vallen van de referentiepersoon. Een dergelijke simulatie kan dan ook helpen om aan te tonen dat men kan voorkomen dat het gezin in de toekomst ten laste zal vallen van de sociale bijstandsstelsels.
DVZ zal, indien er minderjarige kinderen zijn waarbij er een regeling is inzake co-ouderschap, in het kader van de behoefteanalyse rekening houden met deze regeling. Indien de betrokken kinderen bijvoorbeeld 50% van de tijd bij een andere ouder verblijven, zal DVZ hiermee rekening houden bij de beoordeling van de behoeften van het gezin, nu deze kinderen slechts deels ten laste zijn van de referentiepersoon.
De gezinshereniger in België moet over voldoende huisvesting beschikken om je op te vangen. Je bewijst dit met één van de volgende documenten:
- een kopie van het geregistreerd huurcontract van de woning waar de gezinshereniger zijn hoofdverblijfplaats (domicilie) heeft:
- Een huurcontract moet geregistreerd zijn op het registratiekantoor. De registratie is een verplichting van de verhuurder. Maar ook de huurder kan het zelf laten registreren. Lees hier meer over de registratieprocedure.
- Let op! Het attest van MyRent (= bewijs registratie) is niet voldoende. De aanvrager moet zowel het huurcontract, als het bewijs van registratie voorleggen.
- een kopie van de notariële eigendomsakte van de woning waar de gezinshereniger zijn hoofdverblijfplaats (domicilie) heeft:
- De eigendomsakte moet een notariële akte zijn. Een onderhandse verkoopakte (bijvoorbeeld een compromis) wordt niet aanvaard.
- In de praktijk aanvaardt DVZ ook een bankattest met betrekking tot het hypothecair krediet als bewijs van huisvesting, op voorwaarde dat de naam van de gezinshereniger en het adres van het goed vermeld op het attest overeenkomt met het domicilieadres van de gezinshereniger in het rijksregister.
- In de praktijk aanvaardt DVZ ook een attest met betrekking tot de betaling van de onroerende voorheffing (kadastraal inkomen), op voorwaarde dat het adres van het goed vermeld op het attest overeenkomt met het domicilieadres van de gezinshereniger in het rijksregister.
Als de woning onbewoonbaar verklaard is, weigert DVZ je aanvraag.
Zorg ervoor dat je bewijzen actueel zijn.
Leg de bewijzen van huisvesting voor van het adres waar de gezinshereniger effectief woont op het moment van de aanvraag gezinshereniging. Het heeft geen zin om een huurcontract of eigendomsakte af te geven van een woning waar je gezin pas later zal intrekken (bijv. na de gezinshereniging). Zelfs al is die woning ruimer en beter geschikt. Op de wachtlijst staan voor een sociale woning, voldoet niet als bewijs. Wanneer de gezinshereniger reeds in een (te kleine) sociale woning woont, kan hij wel een attest bekomen van de sociale huisvestingsmaatschappij waarin staat dat het gezin, na aankomst van de familieleden in België, prioritair een aangepaste (lees: grotere) sociale woning kunnen krijgen. De huurder dient de huisvestingsmaatschappij uiteraard wel te informeren over de lopende aanvraag gezinshereniging of de intentie om een aanvraag gezinshereniging in te dienen. Dit attest van de sociale huisvestingsmaatschappij wordt door DVZ wel aanvaard.
In de praktijk eist DVZ niet dat de gezinshereniger zelf als huurder vermeld staat in het geregistreerd huurcontract of als eigenaar in de notariële verkoopakte. Het volstaat dat hij op dat adres woont en dat dit blijkt uit het rijksregister. De persoon die als huurder vermeld staat in de huurovereenkomst of als eigenaar in de notariële eigendomsakte moet wel een familielid zijn van de persoon die je in België komt vervoegen.
DVZ, niet de gemeente, oordeelt of er voldoende huisvesting is. De gemeente gaat alleen na of je de vereiste documenten overmaakte (als je de aanvraag gezinshereniging in België indient).
Vrijstelling voor gezin van langdurig ingezetene in andere EU-lidstaat met tweede verblijf in België
Heeft de gezinshereniger de status van langdurig ingezetene in een andere lidstaat van de EU? Dan moet je géén voldoende huisvesting bewijzen als je voldoet aan de volgende voorwaarden:
- de gezinshereniger heeft, in zijn hoedanigheid van langdurig ingezetene in een andere EU-lidstaat, in België een machtiging tot verblijf gevraagd of gekregen als houder van bestaansmiddelen en een ziekteverzekering, en
- jullie vormden al een gezin in die andere lidstaat van de EU, en
- je legt de verblijfstitel voor die je had in de andere EU-lidstaat en het bewijs dat je in die andere EU-lidstaat verbleef als gezinslid van een langdurig ingezetene.
Jij en de gezinshereniger moeten beiden verzekerd zijn voor ziektekosten in België.
Bij een aanvraag in België kan je dat bewijs leveren met:
- het bewijs van aansluiting bij een Belgisch ziekenfonds van jezelf en de gezinshereniger.
- een privéziekteverzekering. De privéziekteverzekering dekt de risico’s in België gedurende minstens 3 maanden, voor een bedrag van 30.000 euro. Je moet ook bewijzen dat de gezinshereniger aangesloten is bij een Belgisch ziekenfonds.
- een buitenlandse ziekteverzekering. De buitenlandse ziekteverzekering moet de risico’s in België dekken. DVZ vermeldt de buitenlandse ziekteverzekering niet op zijn website als mogelijk bewijs, maar de Verblijfswet sluit dat niet uit. Je moet ook bewijzen dat de gezinshereniger aangesloten is bij een Belgisch ziekenfonds.
Bij een aanvraag in het buitenland kan je het bewijs leveren met:
- een modelattest van het Belgisch ziekenfonds van de gezinshereniger. Het modelattest bevestigt dat jij je in België kan aansluiten bij het ziekenfonds vanaf je aankomt in België. Dit is alleen mogelijk voor de echtgenoot ten laste en kinderen jonger dan 25 jaar van de (verzekerde) gezinshereniger.
- een privéziekteverzekering. De privéziekteverzekering dekt de risico’s in België gedurende minstens 3 maanden, voor een bedrag van 30.000 euro. Je moet ook bewijzen dat de gezinshereniger aangesloten is bij een Belgisch ziekenfonds.
- een buitenlandse ziekteverzekering. De buitenlandse ziekteverzekering moet de risico’s in België dekken. De DVZ vermeldt de buitenlandse ziekteverzekering niet op zijn website als mogelijk bewijs, maar de Verblijfswet sluit dat niet uit. Je moet ook bewijzen dat de gezinshereniger aangesloten is bij een Belgisch ziekenfonds.
Je mag geen gevaar vormen voor de volksgezondheid. Om die reden mag je niet lijden aan één van de ziekten opgesomd in de bijlage bij de Verblijfswet. Je bewijst dat met een medisch attest dat bevestigt dat je niet lijdt aan een ziekte die een gevaar vormt voor de Belgische volksgezondheid. Het mag niet ouder zijn dan 6 maanden. Het attest kan opgesteld worden door een arts die erkend is door de Belgische ambassade. Contacteer de ambassade om te weten op welke arts je een beroep kan doen. Als je voor een niet-erkende geneesheer kiest moet je zijn handtekening laten legaliseren door de bevoegde plaatselijke overheid. Nadien moet je de handtekening van deze overheid laten legaliseren door de Belgische diplomatieke post. Ben je al in België? Dan kan je een medisch attest laten opmaken door een arts naar keuze in België.
Vanaf 18 jaar moet je bewijzen dat je geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Je bewijst dat met een uittreksel uit het strafregister of een bewijs van goed gedrag en zeden. In principe vraag je dit aan bij de bevoegde overheid in het land van herkomst. Het document mag niet ouder zijn dan 6 maanden. Kijk na of je het buitenlands document moet laten legaliseren of voorzien van een apostille. Als het document in een andere taal opgesteld is dan het Duits, het Engels, het Frans of het Nederlands, dan moet je het laten vertalen door een beëdigd vertaler. De Belgische ambassade werkt samen met een aantal beëdigde vertalers. Contacteer de ambassade om te weten op welke vertalers je een beroep kan doen.
Als je geen bewijs of geen voldoende recent bewijs kan voorleggen, motiveer dan waarom.
Je moet komen samenwonen met de gezinshereniger in België. Dat volgt uit de Belgische Verblijfswet. EU-richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) legt strikt genomen géén samenwoonstverplichting op: wel moet je een 'werkelijk huwelijks- of gezinsleven' (blijven) onderhouden met de gezinshereniger die je vervoegt. Het HvJ preciseerde al dat bij gezinshereniging met een erkend vluchteling het begrip 'werkelijk gezinsleven' niet betekent dat een (tijdens de asielprocedure) meerderjarig geworden kind en zijn ouder(s) moeten samenwonen of eenzelfde huishouden delen: incidentele bezoeken en regelmatige contacten kunnen volstaan. Het is ook niet nodig dat ouders en kind mekaar financieel ondersteunen. Of er sprake is van een werkelijk gezinsleven moet per geval beoordeeld worden, in het licht van alle relevante elementen en de doelstellingen nagestreefd door de Gezinsherenigingsrichtlijn. De juridische verwantschapsband tussen ouder en kind volstaat in ieder geval niet om een werkelijk gezinsleven te bewijzen aldus het HvJ.
De memorie van toelichting bij de Verblijfswet bevestigt dat de voorwaarde van samenwoonst vervalt wanneer het gaat om een minderjarige die meerderjarig wordt tijdens of kort na (= maximum drie maanden erna) de procedure internationale bescherming of verblijfsprocedure wegens staatloosheid van ouder of kind.
Meer info
Wetgeving