Weigering humanitair visum louter om twijfels over leeftijd schendt zorgvuldigheidsbeginsel
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) vernietigt in arrest 320.777 een weigering van een humanitair visum aan een Iraakse jongeman en zijn twee zussen. Deze drie personen wilden zich bij hun andere broer en zus voegen die al in België verbleven. DVZ had twijfels over de leeftijden en bijgevolg ook over de identiteit van de drie. De leeftijden die bleken uit de identiteitsdocumenten kwamen niet overeen met de verklaringen die de broer en zus in België hadden afgelegd in het kader van hun asielprocedures. De RvV stelt dat uit artikelen 9 en 13 Vw niet blijkt dat leeftijd of twijfel over leeftijd doorslaggevend zijn bij het al dan niet toekennen van een humanitair visum. Geboorteaktes en officiële identiteitsdocumenten hebben een grotere bewijskracht dan verklaringen van minderjarigen. Bovendien werd de authenticiteit van officiële stukken niet betwist en werd er geen onderzoek naar gedaan. De RvV stelt dat het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht geschonden zijn.
DVZ weigert humanitaire visa wegens geen zekerheid over identiteit
Verzoeker is een Iraakse jongeman en dient een aanvraag voor een humanitair visum in tezamen met zijn twee zussen. Zij hebben een broer en zus in België die beide internationale beschermingsstatus genieten. Tijdens hun respectievelijke asielprocedures legden zij verklaringen af over hun achtergebleven broer en zussen, diens namen en leeftijden.
Bij de aanvraag voor een humanitair visum worden officiële stukken van de Iraakse overheid voorgelegd waaruit andere leeftijden blijken van de broer en zussen. DVZ concludeert hierom dat de vooropgestelde identiteiten niet naar waarheid kunnen worden geschat en mogelijks vals zijn. De visumaanvraag wordt geweigerd.
Geen onderzoek naar authenticiteit van identiteitsdocumenten
Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat DVZ alleen de leeftijd van verzoeker in twijfel trekt, maar ook de identiteit. Dit zonder de authenticiteit van de identiteitsdocumenten te betwisten, hoewel het officiële stukken zijn die door de Iraakse overheid zijn afgeleverd. De authenticiteit van deze documenten wordt terzijde geschoven op basis van de verklaringen van de verzoekers broer en zus. De RvV wijst er echter op dat elk stuk op zijn eigen merites moet beoordeeld worden. Er moet meer waarde gehecht worden aan geboorteaktes en officiële identiteitsdocumenten afgeleverd door de bevoegde overheid, als bewijs van identiteit dan aan bijvoorbeeld verklaringen van een minderjarige verzoeker om internationale bescherming tijdens de asielprocedure.
De RvV gaat mee in verzoekers argumentatie dat er geen onderzoek is gevoerd naar de authenticiteit van de Iraakse identiteitsbewijzen en dat DVZ zorgvuldig onderzoek had kunnen laten uitvoeren van de identiteitsbewijzen als er hierover twijfels waren op basis van verklaringen van derden.
De RvV besluit hierom tot een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in het licht van de artikelen 9 en 13 Vw.
Geen vraag naar andere bewijsmiddelen
Door de identiteit van de verzoeker in vraag te stellen, werd feitelijk ook de verwantschap in vraag gesteld. De RvV volgt verzoeker die stelt dat het kennelijk onredelijk is geweest om bij twijfel over de verwantschap geen mogelijkheid te bieden om andere bewijsmiddelen voor te leggen zoals bijvoorbeeld een DNA-test. De RvV stelt ook een schending van de materiële motiveringsplicht vast.